Daar ligt hij in zijn mand, onze familievriend. Zijn harige kop altijd in model. Hij ligt te wachten. Al tien jaar in dezelfde mand. Ooit hebben we die te groot gekocht, nu past hij er bijna niet meer in. Zijn poten hangen over de rand, zijn kop hangt ertussen. De staart ligt naast zijn neus als aandenken aan vroeger toen hij er enthousiast achteraanrende. Duizelig worden van het speelgoed dat hij altijd bij zich draagt.
Het is slechts een vage herinnering aan de tijd dat hij nog vol vertrouwen door het leven ging. Geen twijfel dat zijn baasje hem de wereld zou laten zien en ervoor zou zorgen dat hij niets tekortkwam. Nu hangen zijn oogleden tot op de onderkaak als bewijs dat zijn vertrouwen ongegrond was. Zijn haren zijn wit geworden en zijn gezicht ziet grauw. De dood zit al naast hem, bespot hem. Al die jaren van volgzaamheid, van zorg, hebben zijn trouwste dromen niet waargemaakt. Lachen en wijzen naar het beest dat in huis werd genomen om de leegte op te vullen.
Of het nu kwam door de zoon die het huis uit ging of door de vader die plotseling kwam te overlijden, er ontstond een lege plek, een gat dat gevuld moest worden. En wat zag hij er als pup toch schattig uit. Hij speelde zo lief, de wereld ontdekken in al zijn onschuld. In een spannend avontuur op de bank gaan liggen, terwijl hij wist dat het niet mocht. Stiekem knauwde hij aan de schoenen, totdat hij oud genoeg was en de rollen omdraaiden. Hij werd de vader, de vriend om troost bij te zoeken.
Nu is hij al bijna vergeten. De leegte is gevuld door de gewoonte en uit angst opnieuw met een leegte geconfronteerd te worden, nemen zijn baasjes alvast afscheid. Ze praten aan de koffietafel over hoe energiek hij vroeger was. Dat het nu niet lang meer kan duren. Hij heeft het verdiend. Hij heeft een mooi leven gehad. Bovendien hebben we hem nooit horen klagen, dus is hij niets tekortgekomen.

Hij valt in slaap en de dromen volgen hem op de voet. Zijn poten bewegen alsof hij springt. Hij rent en speelt met enkele puppy’s, zíjn puppy’s. Aan de rand van het veld ligt de moeder toe te kijken hoe haar man gelukkig is. In zijn dromen weet hij wat hij mist, wat wij hem onthouden, maar zodra hij wakker wordt, is hij zijn kinderwens vergeten. Dan ligt hij weer over zijn wallen naar me te staren. Hij zoekt mijn aandacht, mijn handen die door zijn vacht wrijven. Afleiding voor zijn onverklaar­bare honger naar genegenheid.
Ik zet hem een spiegel voor. Hij ziet een hond. Hij springt op en begint te kwispelen. Ze ruiken aan elkaar, maar hij ruikt niets. Nu is het gezicht ook niet de plaats om iemand goed te leren kennen, dus duikt hij achter de spiegel om daar zijn maatje kwijt te raken. Hij kijkt om zich heen en besluit terug te gaan naar de plaats waar hij zijn maatje voor het laatst zag. Daar ziet hij hem weer verschijnen. Hij doet een tweede, vergeefse poging om hem onder zijn staart te ruiken. Slechts een houten plank, meer is er niet.
Weer voor de spiegel lijkt hij te twijfelen of de ander er wel echt is. Wellicht zal hij zichzelf erin herkennen. Zijn haren kammen voor de spiegel of zijn tanden poetsen misschien. Hij zal zijn wallen zien en vraagt zich af wat hem is overkomen. Dan verschijnt ook zijn droom in zijn bewuste. Ik zie al voor me hoe hij me verwijtend aan zal kijken. Zijn baas die beweert altijd goed voor hem gezorgd te hebben.
Overmand door schuld haal ik de spiegel voor hem weg. Hij kijkt verbaasd om zich heen, zoekend naar zijn nieuwe vriend. Totdat zijn oog valt op de flos die achter hem zwaait. Opslag is hij vergeten waar hij mee bezig was en hij duikt eropaf, maar krijgt hem niet te pakken. En dus rent hij weer als vanouds achter zijn eigen staart aan.

Brave jongen.pdf