Hij staat tegenover me, naast de televisie. Zijn bladeren hangen evenwijdig aan de stam, futloos. Ik lig onderuitgezakt in de hoek van de bank. Mijn rug op de zitting waardoor mijn kruin amper boven de armleuning uit komt. Mijn benen liggen gespreid op de salontafel. Tussen mijn voeten door zie ik hem staan, hoewel ik kijk naar de televisie. Het beeld is zwart. Te lui om op te staan en de afstandsbediening te pakken. Dus lig ik te kijken naar de reflectie van mijn zolen, die ik zou kunnen gebruiken om hem water te geven zodat de bladeren weer kracht uitstralen. Ik blijf liggen.
Het is een Zuid-Amerikaanse plant, wiens naam ik ben vergeten, geboren en getogen in Nederland. Het is mijn eerste plant. Ik zorg voor hem sinds zijn derde levensjaar, dat is nu zo’n twaalf jaar geleden.  Het is een geduldige plant die het inmiddels gewend is te moeten wachten op mijn aandacht. Zijn kapsel is er een met veel volume, een toonbeeld voor de shampoo-industrie, hoewel het steeds meer op het vette haar van een introverte gothic begint te lijken. Ze hangen voor zijn ogen, vet en onverzorgd. Hij heeft al het leven uit de haarpunten gezogen. Enkele bladeren zijn al volledig uitgedroogd. Eén laat los en valt in de pot bestempeld tot voedsel voor het ontbrekende bodemleven. Ik heb hem al meer dan een jaar geen mineralen meer gevoed.
Als ik mijn schoenveters zorgvuldig bestudeerd heb, besluit ik mijn tenen te bewonderen. Mijn schoenen ploffen neer op de grond. Nu ik toch voorover zit, is de stap even op te staan niet meer groot. Ik haal wat water. Netjes in een glas zet ik het op de armleuning. De afstandsbediening leg ik ernaast. Dan weer mijn billen zwevend tussen salontafel en bank. Mooie rooie striemen in mijn bovenbeen van de tafelrand. Met mijn kin op de borst en getuite lippen probeer ik van het water te drinken zonder het hele glas over mijn borsthaar leeg te kiepen. Ik kantel het licht, druk mijn lippen naar binnen en slurp de eerste laag eruit.
Ik voel dat hij naar me staart. Glurend tussen zijn lokken. Hij hangt voorover zodat het lijkt alsof hij naar de grond staart. Alsof de wereld hem niet interesseert. Hij begon ooit met vooroverhangen omdat het zonlicht hem fel in zijn ogen scheen. Hij meed het niet, hij ging er recht op af. Zijn schoonheid stond altijd in de spotlights. Het had een bijzondere aantrekkingskracht waardoor hij zijn houding aanpaste aan de richting van de zon. Als je geduldig was, kon je hem zelfs de draaibeweging zien maken.
De gordijnen blijven gesloten, ik heb er een hekel aan als het licht op mijn scherm reflecteert. Nog een blad valt. Ik word er nerveus van. Kan hij me niet gewoon met rust laten? Ik schuif mijn voet tussen de plant en mijn blik zodat ik hem niet meer kan zien. Ik hoor hem zachtjes met zijn bladeren tikken. Het geluid omhoog. Een blad breekt af en valt voor de pot op de grond. Aandachtstrekker! Nog wat harder. Mijn voet wordt onrustig en begint te wiebelen. De plant verschijnt in en uit beeld. Steeds vaker, steeds sneller.
De gothic komt boven me staan. Hij buigt voorover en kijkt me door de koker van zijn haren aan. Ik kan geen kant op. Hij knielt bij me neer totdat hij de koker op mijn gezicht heeft gezet. Een donkere, vettige tunnel met twee witte ogen aan het eind. Hij staart zonder te knipperen. Ik durf me niet te bewegen. Met de koker op mijn gezicht kruip ik onder hem vandaan. Zodra ik mijn voeten aan de grond heb, ren ik naar de keuken.
Een gieter vol water en wat mineralen. De gothic lijkt zijn rug te rechten. Schouders naar achter en borst vooruit. Langzaam zie ik zijn introverte haren vollopen. Een shampooreclame in volle gang. Mijn handen door zijn haar waardoor het volume wordt hersteld. Zelfs de dode puntjes worden bijgewerkt. De lokken verdwijnen uit zijn ogen, hij is weer mooi genoeg om te worden aanschouwd. Ik schuif de gordijnen open en ga zitten op de bank. Mijn hoofd ditmaal geheven tot boven de rugleuning. Net op tijd voor het einde van het reclameblok.

Geplant.pdf