Het vriest, de lucht is bewolkt, de mensen staan ineengedoken tussen sjaals en mutsen ongeduldig te wachten op het perron. De meesten staan binnen de zes overdekte vierkante meters omringd door reclame en illusies van goed weer, halfnaakte dames die de zomerbestemmingen aanprijzen. Eén hand met handschoen verdwijnt in de jas onder de oksel om extra warm te houden, de ander is ontbloot om op de telefoon te kunnen kijken of het morgen beter wordt. Ik word warm van het uitzicht, niet van de verwachte reizen, maar van een kerkhof aan de achterzijde van het station.
Door het hoger gelegen perron is het goed te bewonderen. Grote klassieke stenen met een mooi aangelegd gazon. Hier en daar wat bloemen om extra leven te geven, hoewel een enkeling daar nog moeite mee heeft en ze heeft afgesneden. Extra voer voor de twee spelende konijnen die mijn blik hebben gevangen. Aan de steel knabbelen of de bladeren wegvreten, nog vlug voor het graf ook bovengronds een vreetschuur voor insecten kent. De steen als uithangbord voor een ondergrondse Mac Donalds. Maden en wormen in de rij om te bestellen in de Mc Drive. De twee hebben geen lust en vooral geen tijd om te eten. Ze zijn aan het jagen. Op elkaar.
Het voorste konijn blijft zitten als zijn afstand tot haar te groot wordt. Hij kijkt naar zijn zusje en wacht. Hij steekt zijn tong uit om haar uit te dagen. Ook zij zit even stil om op adem te komen. Ze wacht op een geschikt moment, als hij even niet oplet, om hem aan te vliegen. De tong verrast haar, de zenuwen lopen hoog op, de adrenaline stijgt, ze springt op en sprint weer achter hem aan. Zigzaggend tussen de stenen, over de graven, tot de zus vermoeid achterblijft en de beurt aan de broer is achter haar aan te gaan.
Zus plots in aanslag, ook broer is de achtervolging gestaakt. Er klopt iets niet. Zo diep mogelijk gehurkt zodat elke onverwachte beweging met een lenige sprong kan worden ontweken. De koppen in de lucht om te zien, horen of ruiken dat er iets komt. De toppen van de bomen buigen krom. Een doodstille, ijskoude, snijdende wind raast door het kerkhof. Hij houdt de haren van zus uit elkaar en streelt met een ijspriem over haar ontblote huid. Ze springt op, terwijl ze bibbert, en duikt weg achter een steen. Hij volgt uit angst. Samen, tegen elkaar, weggedoken. De toppen buigen terug.
Tijd om verder te gaan. Broer wacht geduldig tot ze weer een voorsprong heeft. Hij merkt dat ze minder snel rent, ze heeft geen zin meer. Hij doet alsof hij haar niet bij kan houden om haar weer in het spel te krijgen. Ook als hij haar voorbij gaat, zodat zij weer de achtervolger is, blijft ze op hetzelfde tempo lopen. De priem heeft haar speldrift gekoeld.
De wind drijft de wolken bijeen. Zijn kou maakt dat de damp bevriest. Het sneeuwt. De vlokken vallen langzaam naar beneden. De eerste raakt een wachtende reiziger vlakbij me op het perron. Ze voegt zich bij de onbekenden onder het afdakje. Ze wordt gevolgd door andere slachtoffers van sneeuw en wind. Allemaal opeen om te schuilen. Druk genoeg om elkanders zweet te kunnen proeven in plaats van ruiken. De naakte dame op het reclamebord wordt bijna het hok uit gedrukt. Ook zus wordt getroffen door een vlokje, precies op de plek waar wind haar met een priem betast. Er is ditmaal geen twijfel mogelijk. Ze verdwijnt sneller dan broer ooit heeft gerend, in het hol van vader. Ze zoekt dekking onder moeders vacht.
Broer ziet zijn speelmaatje verdwijnen en gaat languit liggen in het gras. Hij ziet de vlokken rondom hem neervallen als hij bedenkt wat hij nu gaat doen. Een vlokje valt op zijn neus, hij likt het water er vanaf. Een koude verrassing. Lekker liggen is er niet meer bij. Zijn hele lichaam rilt van de kou, maar de smaak lijkt hem te bevallen. Hij springt en grijpt naar de dwarrelende vlokken. Het hele speelveld is van hem. Achter iedere steen mag hij vlokken vangen. Zigzaggend en springend over ieders graf, onbezorgd genieten van de witte vlokken tussen zijn bruine vacht.

Konijnen op het kerkhof.pdf