Het eerste wat afneemt is het geluid. De klanken worden dof. Het verkeer van de drukke straat verdwijnt op de achtergrond, zelfs de vrachtwagen die de ramen laat trillen ontglipt me. Mijn neusvleugels trekken vacuüm hoe hard ik ook zuig. Zweet druipt uit al mijn poriën. Mijn shirt plakt aan mijn borst en rug. Ogen wijd open, knipperen lukt niet meer. Ze voelen droog aan ondanks de tranen die steeds sneller vloeien. Het verdriet vult mijn neusgaten; snot druipt over mijn lippen, soms verdwijnt het in mijn mond. Ik proef het niet. Alleen het zoetzure van de appel. Een kleine zucht lucht piept langs de appel naar mijn longen. Mijn keel zwelt en vult de laatste kiertjes op.
Ik zie mezelf in het raam zitten, mijn reflectie midden in de woonkamer. Haar reflectie komt op me af lopen. Ze is blond net als mijn geliefde. Ze legt haar handen op mijn schouder, staat met haar knieën tegen mijn rug. Ik kijk omhoog, leg mijn hoofd op haar bovenbeen. Haar rivierblauwe ogen zijn zelfs van hier bewonderingswaardig. Water reflecteert, ik zit in de kamer.
Ik grijp met mijn handen naar mijn strot. De appel zit vast. Ik wilde slecht een hapje nemen maar de hele appel glipte naar binnen. Ik probeer hem naar boven te drukken. Het lukt me niet. Hij zit muurvast. Verder naar beneden wil ook niet lukken. Zelfs met boter gaat hij geen kant op. Ik ben buiten adem, mijn middenrif drukt zich samen. Ik voel zuur opkomen. Het probeert zich een weg naar buiten te banen. De appel houdt al het zuur binnen. Langzaam glijdt het terug.
Ze trekt me uit het water omhoog. Ik draai me naar haar toe, onze handen ineengesloten. Mijn hoofd ligt verslagen op haar schouder. Ik adem haar diep in, ze ruikt zoet. Ze wrijft over mijn rug. We dansen op de stilte. Haar water vult mijn ogen. Het licht breekt.

Ik zit op mijn knieën in de keuken. Ik heb de la vastgegrepen. Hij houdt mijn lichaam van de grond. Het hangt voorover. Als ik loslaat val ik met een smak tegen de grond. Ik gooi mijn lichaam naar achteren, waardoor de la openschuift. Net voor mijn achterhoofd de grond raakt, aan één hand blijf ik hangen. Mijn andere hand grabbelt door de bak. Ik voel messen en merk dat ik wat bloed verlies. Het doet er nu niet toe.
In het raam van de achterdeur zie ik mijn reflectie. Ik zit op mijn knieën en hand achterover aan de la. Rivierwater vloeit over mijn wangen, mijn ogen lopen leeg. Er staat niemand achter me om mijn hoofd op te vangen, hoezeer ik het me ook inbeeld.
Ik heb de appelboor gevonden en de la weer dichtgedaan. Op mijn knieën midden in de keuken. Ik houd de boor met twee handen vast. Ik recht mijn rug en kijk omhoog. De boor boven mijn hoofd. Het licht verblindt me. Ik haal de boor naar mijn openstaande mond als een vuurvreter die op zijn knieën een brandende toorts naar binnen schuift. Ik druk hem in de appel, die klemt. Ik draai en duw de boor door het vlees. Als ik hem eruit wil trekken blijft hij haken achter de vrucht. Ik verzamel mijn laatste agressie en geef een ruk. De boor schiet los en neemt de kroos van de appel mee.
Ik lig voorover op de grond. Uitgeteld door het gevecht. Ik kan weer ademen, maar de appel zit er nog. Misschien dat die langzaam weg zal rotten. Voorlopig krijg ik hem er niet uit. Ik sta op en pak een biertje uit de koelkast. In de reflectie van de fles sta ik in de keuken. Zij kijkt met haar hoofd over mijn schouder met me mee, een brunette. Mijn ogen lopen vol. Appelcider, ik houd er niet van. Ik pak meteen een tweede. De smaak went al.

Kroos.pdf