De teamleider opent de vergadering, een zitting tot aan het einde van de dag. De planning wordt doorgenomen. Een herhaling van wat op de mail stond, dus heb ik de kans wakker te worden met een kop koffie. Vanmorgen heb ik tot drie keer toe in mijn slaap de wekker uitgezet. Mijn vrouw maakte me nog net op tijd wakker. Zonder ontbijt ben ik naar het station gerend, naar de trein die gelukkig een paar minuten vertraging had. Net voor de opening kon ik aansluiten bij de koffieautomaat. Nu zit ik hier de soep uit mijn ogen te wrijven en mijn pupillen af te stemmen op het licht.
Ik knijp mijn oogleden samen om het ochtendvlies eruit te tranen. Ik veeg het vocht weg en zie dat de tweede spreker naar voren is gelopen. Een dame van middelbare leeftijd met een strak lederen jurk die iedere plooi van haar vormrijke lichaam accentueert. Twee sets zwoele lippen dwars over haar buik. Ze spreekt over de financiën. En hoewel ze haar best doet haar gezicht in de plooi te houden als ze spreekt over de grote hoeveelheid die we het afgelopen jaar hebben opgesnoept, haar buik kijkt beteuterd. De monden van haar buik dragen de mondhoeken naar beneden en zijn ogen hangen tot over de eerste bovenlip.
Ik overweeg om een bak water te gaan halen. Het is een oude gewoonte die ik me heb aangeleerd toen we thuis nog een hond hadden. Zo’n schattige rimpelhond, een shar-pei. Door zijn dicht hangende oogleden leek hij altijd chagrijnig te zijn -soms trok ik zijn vel naar achter om zijn lach te zien-, behalve als hij dronk. Met zijn bek open en tong naar buiten had hij een onnozel aanzicht. Een blik die ervoor zal zorgen dat niemand in de vergadering nog vertrouwen in haar calculaties heeft. Ik besluit te blijven zitten.
De eerste helft van iedere zin loopt ze naar de rechterzijde van de kamer, bij de komma wacht ze even, en voor de tweede helft loopt ze weer terug. Het lijkt erop dat ze haar duizend stappen van de dag nog maken moet. Bij het zien van de trillende lippen die ontstaan bij iedere stap die ze zet, gromt mijn maag. Ik heb zin in pudding. Een lekker stevige drilpudding die als je er een tikje tegen geeft nog een kwartier blijft trillen. Iedere stap die ze zet, geef ik een tikje. Tik, tik, tik… De voorlichting duurt lang nu mijn maag aan het meetellen is. Ik kijk op mijn horloge, we hebben pas een half uur gehad. Nog acht-en-een-half uur voordat ik weer naar huis mag.
Ze plukt een paar keer aan de jurk, ze schudt haar plooien goed. Het glazuur spat al bij voorbaat van mijn tanden als ik denk aan hoe ik mijn gezicht de pudding in werk. De honger is te groot om een lepel te pakken. Een flinke beet en alle zenuwen in mijn mond verkrampen. Ik schrijf in een hoek van de agenda dat ik vanavond niet moet vergeten langs de supermarkt te gaan. Misschien kan ik zelf een puddinkje maken. De tandarts zal weer blij met me zijn. Zijn brood verdiend dankzij een langdurige vergadering.
Door het plukken zijn er nog maar twee heuvels van de vier overgebleven, in het midden stroomt een rivier, die door de jaren een diepe kloof heeft achtergelaten. Een lekker dik kussen waar je de afdruk van mijn hoofd nog in ziet staan. Misschien kan ik even op haar buik gaan liggen. Met mijn achterhoofd zak ik lekker weg totdat mijn oren bedekt zijn en ik haar buik als een koptelefoon draag. Ik hoor niets meer van mijn omgeving, alleen het geluid afkomstig uit haar buik. Een half uur kan ik in alle rust vredig slapen, totdat haar honger toeslaat en de knorrende maag me weer wakker maakt.

Ik kijk op en om me heen om te zien of iemand me in de gaten heeft. Ik moet wakker zien te blijven. De derde spreker komt naar voren. Het is een lange, kale man. Een soort lolly. En een zure aan zijn gezicht te zien. Precies wat ik nodig heb. Ik zuig het zuur eruit waardoor mijn ogen strak open komen staan. Nog acht uur.

Pudding.pdf