De eerste plek waar ik naartoe ga, is het Marerijk. Lekker nostalgisch ronddwalen tussen de verhalen van Moeder de Gans, kindvriendelijk gemaakt door de gebroeders Grimm. Een afschuwelijk initiatief waardoor ik nu een plek moet zien te veroveren bij de succesvol opgevreten grootmoeder van Roodkapje. Trappelende kinderen door de, zo te ruiken, overlopende blaas met hun gezicht gedrukt tegen het raam om te zien dat oma’s neus wel erg groot is geworden. Ik ga aan de rechterkant van het raam staan, de jongedame naast me blokkeert het zicht. Ik tik op haar linkerschouder, waardoor ze omdraait en ik mezelf ervoor kan drukken. Kont naar achter en het kind  geeft me de ruimte die ik verdien. Ik zie de reflectie van mijn blonde lokken als ik naar de wolf kijk.

Net na ik de hoop op een vreetspektakel heb opgegeven en ik me op het pad richting de zeven geitjes begeef, hoor ik de kleine dame roepen dat er een hondje onder een struik zit. Ik zie de bladeren op en neer bewegen. Het kind trekt aan moeders jas in de hoop dat ze komt kijken, maar die blijft stug volhouden dat er hier geen honden rondlopen. Het meisje gaat bij de struik op zoek of ze haar moeders ongelijk kan bewijzen.
Intussen ben ik naast haar komen staan en deel ik haar zoektocht. Onder de struik komt een vosje tevoorschijn. ‘Kijk een wolfje!’ roept het kind terwijl ze gefascineerd blijft kijken. ‘Pas maar op dat hij je niet opeet,’ fluister ik in haar oor. Ze spert haar ogen open en rent gillend naar haar moeder. De vos schrikt van haar reactie en rent weg. Ik klim over het houten hekje en sluip achter hem aan. Als het meisje met haar moeder naar de struik komt kijken, zijn tot grote ergernis van moeder zowel de vos als ik nergens meer te bekennen.
Een tiental meter verderop in een groen stuk tussen twee wandelpaden blijft het vosje weer stilstaan. Vanaf de wandelpaden is deze plek nauwelijks zichtbaar. Hoge struiken en lage bomen blokkeren het zicht. Hij kijkt om zich heen om een goede plek te zoeken waar hij kan plassen. Hij heeft mij nog niet in de gaten. Ik ga gebukt achter een struik waar ik langzaam m’n telefoon uit m’n broekzak haal. Met zijn neus aan de grond inspecteert de vos zijn omgeving.  Hij licht één van zijn poten boven een lage plant. Op dat moment kom ik omhoog om een foto te maken. Ik richt mijn telefoon; net voordat ik de kan schieten, draait de vos zich om: hij ziet me en duikt weg.
Ik zet de achtervolging in en wurm me door het dichtbegroeide struikgewas. Hij blijft me voor en duikt onder een haagbeuk door. Ik neem een klein aanloop en spring met mijn schouder voorop door de plant op het asfalt van een wandelpad. De vos is inmiddels overgestoken. Mijn val, en bloederige schaafwond, blijven niet onopgemerkt en aangezien ik alle goedbedoelde hulp afsla en meteen opkrabbel valt het des te meer op dat ik met mijn telefoon in aanslag de weg oversteek en in de bosjes verdwijn. De behulpzame bezoekers zien het levende dier en zetten hun dienstbaarheid voort door met mij de strooptocht te delen.
Met ieder wandelpad dat de vos doorkruist, groeit de meute achtervolgers. Tien, twintig, dertig… allemaal nostalgiezoekers, met de camera in aanslag, in het sprookjesbos jagend op de kleine wolf. Gympen, lakschoenen, hakken, pumps rennen door zand en onkruid om hem te vereeuwigen in een lijst aan de muur. Ik zit hem op de hielen en jaag hem richting een oude vrouw die met haar armen omhoog op het wolfje af komt lopen. De blik in haar ogen doet vermoeden dat ze hem zal opeten. Hij duikt tussen haar benen, zij grijpt mis. Ik kruip hem, tot haar grote verbazing, achterna en zie hoe de vos onder een hek het bos in verdwijnt.
De jacht is voorbij. De achtervolgers gaan bij het hek staan kijken hoe de vos ontsnapt. Nog gauw maakt men een foto, waarna de meute uiteenvalt. De mensen lachen naar elkaar, wat een avontuur. Ik loop, met een oma in mijn nek, terug naar het pad, terwijl ik mijn kleren schoonveeg. Op zoek naar de zeven geitjes.

Sprookjesdier.pdf