Ik scheur een poot van de kip boven het vuur, net gaar, en voer hem de indiaan voordat Benjamin terug is. Voor het koken heb ik hem vastgebonden aan de enige boom die op dit stuk van de prairie te bekennen is. Een dor stuk hout, de stam gescheurd; aan de voorovergebogen punt hangt nog een stuk touw, alvast gereed voor een volgende lynching. Ik haal de lap stof voor zijn mond weg. Hij moet al dagen niet gegeten hebben, zo gulzig als hij vreet. Water krijgt hij, maar eten vindt Benjamin te kostbaar. Die zou het liefst alleen zijn scalp verkopen. Een milde straf vergeleken met wat die roodhuiden Bens familie hebben aangedaan. Niet dat dit exemplaar oud genoeg is om daar aansprakelijk voor te zijn.
Zodra de dravende hoeven van Bens paard in de verte hoorbaar zijn, ruk ik het eten bij hem weg. ‘Ik hoop voor jou dat we je verkocht hebben.’ Ik knoop de lap stof weer voor zijn mond. De rest van de poot eet ik zelf op. Benjamin stijgt af en loopt direct op de indiaan af terwijl hij zijn mouwen opstroopt. Weer een sheriff die te bang is om een indiaan te huisvesten, hoewel ik ook enigszins twijfel aan Bens verkooptechnieken. Als ik een praatje zou mogen maken, kregen we hem misschien verkocht, maar dan zou ik Ben alleen moeten laten met de gevangene.
Ik loop naar Teen, weg van de indiaan die door Ben wordt bewerkt. Hij slaat tweemaal voor iedere sheriff die ons afgewezen heeft. ‘Je bent zelfs te lelijk voor een cel!’ schreeuwt hij. ‘Ze willen je alleen dood hebben.’ Veertien klappen, de mishandeling is gestopt. ‘Hoor je dat… Tim!?’ Ik draai me om en zie Ben met zijn hand om de nek van de roodhuid. Met zijn andere hand heeft hij een mes getrokken, hij krast over het voorhoofd alsof hij een schets maakt van de scalp die hij wil verwijderen. ‘Ze willen hem alleen dood hebben! Je moet toegeven dat het erg lang duurt, voordat we een sheriff hebben gevonden die hem levend wil hebben.’ ‘En jij weet dat hij levend veel meer waard is dan dood.’ Ik laat een stilte vallen en adviseer: ‘Eet wat, daar kalmeer je van.’
Dat had ik niet moeten zeggen. Niemand vertelt een premiejager dat hij rustig moet worden. Hij snijdt het touw door waarmee de indiaan is vastgebonden en sleurt de tot pulp geslagen bandiet naar zijn paard. Hij bindt hem achter zijn zadel. Een licht drafje trekt een streep door het zand. De indiaan hoest door het zand in zijn gezicht. ‘Hoor ik dat nou goed? Lig je te eten!?’ Ben spoort aan tot een galop. Een ronde rond het kamp en hij snijdt al rijdend het touw los van zijn zadel. De indiaan stuitert en rolt vooruit tot hij onder een grote stofwolk blijft liggen. Benjamin mindert vaart. ‘Schiet op, Tim! We gaan de volgende lafbek die zich sheriff durft te noemen bang maken.’ Hij draaft weg van het kamp.
Ik scheur de andere poot van de kip en knoop de indiaan tussen de bulten van Teen. Hij ligt over de rug als een handdoek over een waslijn. ‘Sorry jongen, maar er is anders geen plek,’ verontschuldig ik als ik op zijn rug ga zitten. Zolang hij niet achterop kan zitten geniet ik van een comfortabel zadel. ‘Probeer niet te veel te schudden, meid.’ Elke hobbel laten mijn billen het zadel los om kort daarna neer te ploffen, waarop een zachte ‘Oef!’ uit het zadel wordt geperst. De eerste keer dat ik neerplof, nadat Teen de galop heeft ingezet, houdt de klaagzang op. Waarschijnlijk is hij plotseling ingedut.
Eenmaal Benjamin ingehaald draven we verder naar het volgende stadje. Er wordt niet gesproken. In plaats daarvan neemt hij wat pruimtabak en lurkt aan een fles whisky. Hij heeft me nog nooit verteld wat er precies gebeurd is met zijn familie. Ik heb me voorgenomen het hem te vragen, nadat we de indiaan een veilig onderkomen hebben geschonken. Ik vrees voor hem. De haat in de ogen van Benjamin is dezelfde als de haat in de ogen van Edward bij het zien van de Ierse bendeleden in New York. Vooralsnog moet ik het doen met mijn hypothese dat ze zich allebei te veel te goed hebben gedaan aan stierenvlees, waardoor roodhuiden en roodharigen Amerikanen op de zenuwen zijn gaan werken. De toreador onder me kon niet op tijd wegkomen. Het zal ook wel zijn eigen schuld zijn.

Parallel aan de rivier over de Oregon Trail vervolgt onze zoektocht naar een dappere sheriff. Al aan de rand van de meeste dorpen wordt duidelijk dat we met deze bagage niet welkom zijn. We worden aangekeken door jachtgeweren met angst in hun ogen. Na iedere afwijzing tekent Ben met zijn mes de blauwdruk voor een perfecte scalp en keer op keer dat mijn zadel weer achterop de kameel kan zitten, bewerkt de behulpzame premiejager de roodhuid en schenkt me daarmee een zachte bips.
Bij de restanten van een afgebrand stadje houdt Ben stil. Hij stapt af en inspecteert de omgeving. Op een knie met zijn handen door de as. Hij laat deze door zijn vingers glijden en kijkt intussen om zich heen alsof hij iets zoekt. Ik wacht vol spanning op de bevindingen van de speurhond die een bruine klodder tabak tussen de as laat landen. Hij knauwt rustig verder als hij overeind komt en zijn handen aan zijn broek afveegt. ‘Twee, misschien drie dagen geleden gedoofd.’ ‘Door de aanhoudende hitte?’ ‘Dan was nooit heel het dorp weggevaagd. Nee…’ hij pauzeert even voor hij zijn conclusie trekt: ‘Ze hielden hier een Blackfoot in de bajes.’ Gelukkig heeft hij zijn gevoel van humor weer gevonden. Een platgebrand dorp kan zomaar aanleiding zijn een gat in mijn zadel te schieten.
De zon begint al onder te gaan dus zetten we te midden van het marktplein ons kamp op. Ik bind mijn zadel aan de wegbewijzering: Crow Creek aan de ene kant, Lewellen aan de andere. Die laatste moet wel het stadje zijn waar we vanmiddag zijn afgewezen. Ben ziet me naar de namen staren. ‘Morgen zijn we van die smeerlap af.’ Ik trek het touw strak en leg er een knoop in. Benjamin heeft de fles drank al aan zijn lippen hangen en haalt hem er alleen vanaf op het moment dat ik terug kom lopen, zodat hij ermee naar de stapel hout kan wijzen dat hij bijeen heeft geraapt. De lamstraal verwacht dat ik het vuur aanmaak. Een bezigheid die twee handen vereist, hout rapen is met een hand wel gelukt, waardoor hij zijn fles los zou moeten laten. Ongehoord natuurlijk!
Geen kip deze avond, maar een blik bonen. Zelfs de smeerlap krijgt te eten en Ben deelt met mij de fles drank. Hij moet wel erg overtuigd zijn dat we morgen geld ontvangen. Eindelijk, ik begon al te twijfelen of ik er wel goed aan gedaan had niet met de karavaan mee te gaan. Het aanbod van George, de zakenman die een bodyguard nodig had, knaagt aan me na iedere afwijzing. Nu lijkt het er toch op dat het snelle geld van een gevangen indiaan eindelijk opgehoest gaat worden.
De avond passeert in een stilzwijgend drinken. Met Teens bulten in mijn nek droom ik van mijn goudmijn en de zijden jurk die ik Florence aantrek. De oplichtster die haar carrière opzegt om te leven als armsnoepje van Amerikaans rijkste gouddelver uit Europa.

Het gerinkel van glas maakt me wakker. Benjamin staat met een kapotgeslagen fles tegenover de op de grond gevallen indiaan, die ineengedoken achteruitkrabbelt. ‘Ze zullen me vinden, je bent te laat. Ze hebben de rooksignalen al gezien.’ De premiejager stapt naar voren en haalt uit met de fles. Een diepe snee kleurt het gezicht rood. ‘Dan heeft het dus ook geen zin je te verstoppen.’ Hij trekt zijn revolver en richt die op mij terwijl zijn ogen op de indiaan gericht blijven. ‘Moet jij niet eens wat water gaan halen bij de rivier?’ ‘We hebben nog genoeg,’ aarzel ik. Als hij de haan naar achter trekt, spring ik in een reflex op Teen en vertrek ik.
Hij moet zich hebben weten los te maken om vervolgens, terwijl wij lagen te slapen, gebruik te maken van het dovende vuur om rooksignalen te maken. De heldere hemel, verlicht door het laatste kwartier van de maan, heeft de rook kilometers ver zichtbaar gelaten. Ongetwijfeld zijn hele stammen nu naar hem op zoek.
In galop verlaat ik de stad richting rivier tot ik achter me een ijzige gil hoor. Niet het schot dat ik verwacht had. Teen blijft staan. Ook zij heeft het gehoord en is niet meer van plan door te lopen. Uit angst spoor ik haar aan verder te gaan. Ze weigert en keert om. Net buiten zicht stijg ik af en sluip ik tot achter de afgebrande saloon. Ik kruip langs de zijkant naar voren waar ik goed kan zien wat er gebeurt.
De toreador zit op zijn knieën voor de stier. Hij krijst, huilt en smeekt om genade. Bloed loopt over zijn voorhoofd, in zijn ogen. Het druipt als tranen over zijn wangen. De premiejager snijdt en trekt de scalp van zijn prooi. Hij houdt de losgekomen toupet voor de ogen van de toreador. Die schreeuwt onophou­delijk, het echoot door de stilte van de nacht, totdat de jager er genoeg van heeft en hem van zijn tong verlost. De bandiet valt op Benjamins voeten, die hem wegschopt, de scalp in zijn zadeltas stopt en vervolgens een doek pakt om zijn schoenen te poetsen. Hij laat de stomme indiaan doodbloeden.
Ik kijk hem in de ogen als hij naar zijn laatste adem snakt. Hij steekt zijn hand naar me uit alsof hij me grijpen wil. Ik moet hem helpen op te staan maar in plaats daarvan wend ik mijn ogen af. Ik trek mijn revolver om hem uit zijn lijden te verlossen. Ik loop op hem af, schiet hem door zijn voorhoofd en vervolgens neem ik wraak. Althans dat is het plan, echter zijn mijn armen en benen verdoofd, opstaan lukt niet meer. Zelfs hem uit zijn lijden verlossen lukt me niet. En ik dacht nog wel dat ik hem goed vastgebonden had. Ik ben niet weggelegd voor dit leven. Stomme Hollander! Wie denk je wel dat je bent om hier rijkdom te komen halen. Ik had de rest van mijn leven op een houtje kunnen bijten, veilig thuis in een schommelstoel, maar in plaats daarvan verbijt ik achter een verloren saloon de zoveelste moord.
‘Heb je nog lang nodig?’ Hij komt op me af lopen. Blijkbaar weet hij al die tijd al waar ik lig. ‘Ik wil je niet opjagen…’ hij zet een fles drank voor me neer ‘… maar het lijkt erop dat we bezoek hebben.’ Ik veeg mijn tranen af aan mijn mouw en neem een flinke slok. Nooit eerder heb ik zo genoten van het brandende gevoel in mijn keel. Ik heb het verdiend. Ik had hem beter vast moeten binden. Het is mijn schuld. Benjamin deed gewoon wat hij dacht dat het beste was. Hij stuurde me nota bene op pad, zodat ik niets zou zien, om me te beschermen. Ik neem nog een paar slokken, totdat ik me geloof. Pas dan kan ik de stier weer aankijken. Hij wijst naar een naderende stofwolk aan de horizon met opkomende zon. ‘Tijd om te gaan.’

De stier op het paard met de kruin van een toreador in zijn zadeltas rijdt voorop richting Crow Creek. Nog een halve dag en we zijn veilig. Achter hem waggelt een slagschip met twee bulten, tong uit zijn bek, hijgend om de stier bij te houden. We dragen wat minder gewicht bij ons, zo zonder zadel, maar het lekkere zitje is weg. Langs de rivier door het prairiegras, volgens Ben de kortste route. De stofwolk is even blijven hangen boven het verbrande stadje. Waarschijnlijk hebben ze de toreador gevonden. De hitte verraadt ook ons, waardoor na een korte stop de stofwolk achter ons aan komt gesneld.
Het stof en de hitte zijn voor Teen geen probleem; de snelheid waarmee ze ons naderen helaas wel. ‘Kom op meid, kom op!’ spoor ik haar aan, zonder mijn hakken te gebruiken. Dat heb ik nog nooit gedaan. Teen begrijpt me als ik iets vraag. Ben, echter, betwijfelt dat en laat zich terugvallen om me te helpen met aansporen. Iets minder subtiel met de punt van zijn schoen tegen haar achterwerk. Hij voert de snelheid op met drie knopen.
Het heeft weinig geholpen, de stofwolk komt dichterbij. De rivier loopt tussen twee heuvels door. Ze zijn te stijl om in een achtervolging te beklimmen, bovendien weten we allebei niet in hoeverre Teen zo’n steile helling überhaupt opkomt. ‘Kan dat beest van jou zwemmen?’ ‘Geen idee, ik denk van wel.’ ‘Ja of nee?!’ ‘Ja!’ ‘Ga naar de overkant ik neem de indianen wel mee.’ Hij stuift weg en probeert zoveel mogelijk stof op te laten waaien, terwijl Teen en ik naar de overkant zwemmen waar de heuvel minder stijl is.
Bens plan lijkt te werken. De indianen zien zijn stof opstuiven en volgen de stier. We springen uit het water en klimmen zo snel als mogelijk de heuvel op. Bovenop de top blijven we even staan. Een mooi uitzicht over de prairie maar hoofdzakelijk over de achtervolging. Vijf indianen volgen de stier op de voet. Pijlen en bogen gereed om te schieten. De stier zigzagt voor ze uit en ontwijkt daarmee ieder schot. In de verte is een dorpje te zien aan de rivier. Crow Creek? Het is niet ver meer, maar zonder hulp overleeft Ben het niet.
De achtervolging verdwijnt achter de andere heuvel en ontsnapt aan mijn zicht. Even twijfel ik aan mijn mogelijkheden. Ik kan me schuilhouden aan de voet van de heuvel, Ben aan zijn lot overlaten en als de strijd voorbij is en zelf de rivier westwaarts volgen. Het geld van de scalp kan me gestolen worden. Ik zal een ander baantje vinden. In ieder geval ben ik dan veilig en in de buurt van de goudkoorts. De zon achter me stijgt, hij brandt in mijn rug. Het zweet breekt uit, mijn voorhoofd wordt heet. Teen heeft nergens last van. Of help ik de man die zijn leven voor me op het spel zet.
Ze verschijnen weer. Vier ruiters achtervolgen de stier. De vijfde is verdwenen. Gedood door de stier? Ben lijkt zijn revolver nog niet getrokken te hebben. Te druk bezig zich tegen de rug van zijn paard te drukken om zo gestroomlijnd mogelijk zijn achtervolgers voor te blijven. Teen brult en draait naar het zuiden. Ze dwingt me naar de rivier te kijken: de vijfde ruiter waadt door het water. Hij spant zijn boog, Teen gaat liggen, de pijl suist vlak over mijn hoofd. Ze komt weer omhoog en rent in paniek de heuvel af.
We rijden aan de noordkant van de rivier, Benjamin aan de zuidkant. ‘Houd vol!’ roept hij. ‘Het kan nu niet lang meer duren!’ Een tweede pijl suist langs mijn oren. Ben spoort zijn paard aan door de naderende ruiters. ‘Blijven zigzaggen!’ roept hij nog voordat hij uit zicht verdwijnt. Teen volgt zijn advies op. Gelukkig krijgt de ruiter achter me het niet voor elkaar op volle snelheid de boog te herladen, waardoor de afstand tussen ons niet al te snel afneemt. De vier ruiters aan de overzijde hebben meer ervaring.
Eén van hen past zijn snelheid aan die van mij aan, zodat hij parallel aan Teen komt te rijden. Hij spant zijn boog, ik geef een ruk aan de nekharen van Teen; hij schiet, zij zet haar poten stijf in het steppegras. Stof stuift op. De pijl mist. We worden omringt door een wolk van zand. Direct erna krijg ik een klap tegen mijn schouder. Ik maak een duik naar voren met mijn gezicht in het gras.
Om overeind te komen duw ik me omhoog met mijn rechterarm. De spier in mijn schouder lijkt langzaam open te splijten door de pijl in mijn schouder. De ruiter achter me heeft me geraakt. De pijn jaagt door mijn lichaam tot hij mijn maag beetpakt en samenknijpt. Ik laat me vlug op mijn linkerarm vallen. Maagzuur komt naar boven, ik boer en spuug een beetje. Stof dringt naar binnen, zand op mijn tong en tussen mijn tanden. Ik krijg een droge keel en moet ervan hoesten, waardoor mijn maag opnieuw verkrampt. Teen brult en vlak daarna hoor ik de indiaan achter me naderen.
Hij brengt zijn paard tot stilstand naast Teen. ‘Overeind!’ Hij blijft me op zijn paard met gespannen boog aankijken, totdat ik met mijn rug naar hem toe vijf meter van hem verwijderd ben met mijn armen in de lucht. Het laatste kost me de nodige moeite, waardoor ik mijn rechterhand niet hoger krijg dan mijn borst. Hij lijkt er begrip voor te hebben, hij is zelf immers degene die door mijn sleutelbeen heeft geschoten. In mijn ooghoek zie ik hem zijn boog ontspannen. Hij stijgt af. Een voet in de beugels, de ander gooit hij uit het zadel.
Op dat moment zet Teen een stap naar rechts. Ze beukt met haar volle gewicht tegen het paard. Het schommelt om balans te vinden, de indiaan valt naar de grond, een been haakt nog in de beugel. Hij probeert zijn voet los te krijgen. Het paard krijgt nog een beuk en springt weg. De ruiter zwiept er achteraan. Ik trek mijn revolver en schiet een paar keer in de lucht, terwijl ik de longen uit mijn lijf gil. Teen valt bij. De tweede indiaan van vandaag die achter een paard door het zand sleept. Ik wed dat Ben trots op me zou zijn. Helaas hebben we geen tijd om te blijven kijken hoe de indiaan zich keer op keer bijna omhoog heeft weten te trekken om weer naar beneden te vallen als het paard te kort langs struik of boom af rent. Aan de overzijde begeeft zich nog een ruiter. Ik bestijg Teen en zeg haar om te draaien, zodat we naar Crow Creek kunnen gaan.
Te laat. Een half natte ruiter staat geduldig met gespannen boog op ons te wachten. We hebben geen keus. Ik spoor Teen aan op hem af te stormen, hopelijk jagen we ook zijn paard de stuipen op het lijf. Intussen grijp ik naar mijn revolver. Op dat moment lost hij een pijl, die de voorpoot van Teen raakt. Ze zakt door haar voorpoten, ik val over bult in haar nek. Ik krabbel overeind en ga op zoek naar mijn revolver. Hij schiet nogmaals en raakt mijn goede schouder. In ieder sleutelbeen een pijl, geen kracht meer om mijn wapen vast te houden. Hij komt op me af en slaat, zonder kans te onderhandelen, zijn vuist in mijn gezicht.

Als een handdoek over het paard, mijn handen en voeten bij elkaar gebonden, word ik een tentenkamp binnengereden. Ik dien niet als zadel, de ruiter is wat meer naar achter gaan zitten om plaats te maken. Hij stopt voor een tipi met twee bewakers. Na kort overleg word ik aan hen overhandigd. Een van hen gooit me over zijn schouder en hangt me in de tipi over een rek. Met twee wasknijpers vastgebonden word ik achtergelaten.
Die middag hang ik te wachten.  Slechts eenmaal komt er iemand binnen, een jonge vrouw. Ze trekt de pijlen uit mijn schouders, maakt ze schoon en overgiet mijn wonden met alcohol. Ik gil mezelf bewusteloos, waarna zij me wakker maakt met een scheutje water. Eindelijk kan ik een gedeelte van het zand uit mijn mond spoelen. Alleen het tandvlees van mijn boventanden schuurt nog tegen de binnenkant van mijn lip. Ze slaat met een mattenklopper het stof uit mijn kleren en laat me vervolgens alleen.
Als het zonlicht dat onder het tentzeil door schijnt langzaam lijkt te doven, hoor ik enkele paarden deze kant op rijden. Een van de bewakers begint te schreeuwen. Ik kan hem niet verstaan maar begrijp dat hij in paniek is. Verschillende mannen komen deze kant op en vallen hem bij. De paarden blijven voor de ingang van de tipi staan. Driemaal een luide plof als die van een zware zak graan die op de grond valt. De tent vouwt open. De zak graan wordt naar binnen gegooid, het is een indiaan. De tweede en derde zak blijken zijn broers, ook zij belanden binnen. De drie ruiters die Ben achtervolgden doorzeefd met kogels. Hij moet Crow Creek bereikt hebben.

De nacht valt in. Het bloed is naar mijn hoofd gestegen. Ik voel een druk, mijn kloppend hart, op mijn voorhoofd. Tegen mijn buik drukt een stang. Hij verhult mijn hongergevoel maar versterkt de drang om te kotsen. Ik slik het in; het brandt in mijn gehemelte. Ik doe geen oog dicht. Om afleiding te zoeken probeer ik aan Florence te denken. Aan de zijden jurk die ik haar cadeau heb gedaan en die langzaam van haar lichaam glijdt. De droom wordt onderbroken door het beeld van Teen dat opdoemt. Haar pruilende lippen en dromerige ogen met lange wimpers. De wonden op mijn schouders jeuken, de kloppingen van mijn hart duidelijk voelbaar. Zou Ben haar hebben gevonden? Ik verlies de controle en tel de rest van de nacht mijn tranen die vallen in de zure plas onder mijn gezicht.

Een trompet. Direct gevolgd door galopperende paarden. Ik hoor neerslaande sabels en verbaasde indianen. Het ene na het andere paard raast voorbij. De mannen van het kamp krijgen de kans niet om te gillen. Alleen de vrouwen en kinderen mogen schreeuwen. Het prachtige tipikamp, waarvan ik nog geen kans had het te bewonderen, wordt in vlam gezet. Een brandende dame duikt de tent in, waar ik nog hang te drogen en probeert te rollen over de grond. Voor ze het vuur gedoofd krijgt, is haar energie al op. Nu liggen er vier dode indianen waarvan er een de tent in de fik heeft gezet. Tijd om te gillen: ‘BÈÈN!!’
De stier stormt binnen. Hij tilt me van het rek, over zijn schouder, en neemt me mee naar buiten. Zonder iets te zeggen gooit hij me over een van de paarden, ik krijg een eigen exemplaar, en rijden we weg van het kamp. De heldere sterrenhemel achter ons gaat schuil achter een rookgordijn met aan de horizon een vlammenzee. De militairen die Ben heeft meegenomen gaan nog enkele uren door met de slachting tot er geen wild meer te jagen valt. Bij het aanbreken van de ochtend rijden we Crow Creek binnen. We stoppen bij een hotel waar al een bed voor me is gereserveerd. Ben tilt me naar boven en legt me erin.

Een dag en een nacht slapen later, nadat ik me grondig heb gewassen in het bad, besluit ik me uit te checken. Als ik de kamer uit wil lopen zie ik bij de spiegel een briefje liggen. Teen staat in de stallen. ~ Ben.
Nog voor ik de stal binnen ben en voor ze me kan zien, brult ze al uit enthousiasme. Ze heeft eenzelfde wond boven haar rechter poot als ik in mijn schouders. Provisorisch dichtgebrand. Er ligt een zadel over haar bulten. Een houten constructie met kussentjes om haar bulten. In het midden een leren zitvlak voor mij. Het geheel is afgewerkt met katoenen doeken met een ruitjespatroon. Nu toren ik als Arabier van het Wilde Westen boven alles uit. Aan de voorkant van het zadel hangt een klein zakje. Het is gevuld met goud. Dat moet het geld zijn dat Ben heeft verdiend met de scalp. Meer dan ik gedacht had. Misschien heeft hij een bonus gekregen voor het vinden van een indianenkamp.
Ben is nergens meer te vinden in Crow Creek, niet dat ik uitgebreid heb gezocht, dus besluit ik de financiële meevaller alleen te vieren. Ik overweeg waar ik naartoe ga. Ik heb genoeg geld om terug te gaan naar Nederland. Geen moorden meer, geen wonden, Teen veilig. Ik kan het huis verder opknap­pen en gewoon doorgaan met het leven.
Na mijn vijfde glas twijfel ontmoet ik een oude man in de saloon. Hij is een mijnwerker, zegt dat hij in Californië is begonnen met het delven naar goud en hij nu op weg is naar Denver. De goudkoorts is daar het heetst. ‘Nog geen halve dag reizen naar het zuiden, een rechte weg, en dan ben je in Denver. Van daar ga je naar het westen de bergen in. Zoek een willekeurige plek om te houwen en je bent in een paar dagen stinkend rijk.’ Mijn zesde glas laat ik staan.

Arabier van het Wilde Westen.pdf