De wind steekt op. Een koude vlaag door mijn haren. Teen heeft het zwaar. Ik druk mijn lichaam zoveel mogelijk tegen haar voorste bult, met mijn hoofd in haar nek. Het hout van de wagens en karren kraakt, de wielen piepen. Rechts van me probeert George tevergeefs de gordijnen van zijn koets, hij is te rijk om zelf te lopen, dicht te houden. De zakenman is natuurlijk bang zand in zijn ogen te krijgen. Zijn mooie hoed smerig of dat prachtige jacquet. Ik heb sinds ons vertrek in Omaha nog geen woord met hem gewisseld, hoewel ik al de hele rit langs hem rijd. Hij durft me niet eens aan te kijken. Zeker bang om smerig te worden door naar me te kijken. In mijn ooghoeken heb ik hem vol afschuw zien gluren naar Teen. Haar reactie is altijd een hapje van de gordijnen te nemen, waarop de zakenman in een kikkersprong aan de andere kant van de postkoets zit.
Vooroprijdt Richard, de man die de zakenwereld probeert te tarten door het dragen van een colbert. Hij is degene die deze expeditie op poten heeft gezet. Hij beweert al vaker de tocht gemaakt te hebben en dat met zijn bescherming er nog nooit ongelukken zijn gebeurd. Florence, een mooie jonge dame en reisgezel van Richard, bevestigt zijn succes. Zowel zij als Richard hebben een eigen woonwagen, wat me heeft doen geloven dat ze niet meer dan zakenpartners zijn. Mijn ogen zijn al de hele reis op haar wagen gericht in de hoop een glimp van haar op te vangen. Al is het maar de krul in een van haar lokken.
De wind houdt stevig aan. De wolken trekken samen, het wordt donker. Steeds mee zand stuift op. Het waait in mijn ogen. Ik klim van Teen af en ga naast haar lopen zodat ik wat meer uit de wind loop. De verschillende huifkarren, de ruiters en het vee gaan ons aan twee kanten voorbij. Blijkbaar is iedereen goed voorbereid op een zandstorm behalve wij. Niet heel veel later liggen we achterop. ‘We trekken wel een sprintje als de storm wat is gaan liggen.’

Als twintig minuten later het zicht beter wordt, maar de storm nog niet is gaan liggen, klinkt er in de verte een schot. Het wordt gevolgd door een klein vuurgevecht. Ik spring op Teens rug en spoor haar aan te galopperen.
Niet veel later zien vier bandieten een man vastgeklampt aan de nek van een kameel op hen af komen. Door haar gehobbel kost het me moeite niet van haar af te vallen. Op de grond, voor de bandieten, zitten de reizigers op de knieën hun zakken leeg te maken. Ik steek mijn revolver recht vooruit. Met geknepen ogen om het laatste beetje zand met mijn wimpers op te vangen richt ik. Zes schoten, bedoeld voor vier bandieten, en het enige wat ik raak is de hogehoed van George.
Drie bandieten springen in het zadel en komen op me af. Ik grabbel in mijn zak op zoek naar patronen. Door het geschud van Teen valt alles op de grond. Ik pak de teugels beet en trek ze naar achter om Teen van richting te veranderen. Ze negeert mijn getrek en snelt recht vooruit. Het enige wat mij rest is een weesgegroetje. Als de drie ruiters vlakbij zijn, gaan ze in het zadel staan en leggen aan voor een schot. Teen steekt haar kop naar voren en begint enorm te brullen. Mijn oren, die nog altijd in haar nek liggen, suizen. Geschrokken door het onbekende geluid steigeren de paarden, waarop ze zo snel mogelijk van de kameel proberen weg te komen, de bandieten weten zich nog net vast te houden.
De vierde bandiet staat verschrikt te kijken hoe zijn kameraden weggevoerd worden. Benjamin, een van de reizigers en naar zijn zeggen een premiejager, maakt gebruik van zijn onoplettendheid door hem aan te vliegen. Hij werkt de bandiet naar de grond. Als hij bovenop hem zit, komt Richard naar Benjamin gerend en duwt hem van de bandiet af, die onopvallend wegkruipt, op zijn paard springt en er vandoor gaat.
‘Wat maak jij me?!’ schreeuwt Benjamin. ‘Hij trok zijn revolver,’ antwoordt hij. ‘Je liegt! Hij kon geen kant op!’ Benjamin drukt de loop van zijn revolver tussen de ogen van Richard. ‘Waar denk je me van te beschuldigen? Volgens mij zat ik evengoed op mijn knieën mijn zakken leeg te schudden als jij.’ Benjamin trekt de haan van zijn revolver naar achteren. ‘Ophouden!’ Florence gaat tussen beide heren staan. ‘Hij spreekt de waarheid. Misschien dat je het zelf niet opgemerkt hebt, maar hij trok een pistool.’ De revolver staat nu tussen haar ogen.
Ik spring tussen de bulten uit en loop naar Benjamin. Het akkefietje met Richard laat me koud, maar hij moet zijn revolver van Florence afhouden. ‘Benjamin, zou het niet gewoon kunnen dat ze gelijk hebben?’ Hij haalt de haan weer naar voren en zet vervolgens de revolver onder mijn kin. ‘Word nou niet verliefd op die hoer,’ fluistert hij, waarna hij zijn eigendommen uit het zand pakt en zijn paard opzoekt.
Een donderslag doorbreekt de stilte die hij achterlaat. Het laatste beetje opstuivend zand slaat door de regen ter aarde. De reizigers pakken gretig hun spullen bijeen. De rijken verdwijnen in hun wagens, de rest bestijgt kar of paard en zet de pas erin.

Die avond zit ik in een bad van het eerste hotel dat we tegenkwamen in Lexington. Als dank voor mijn redding heeft Richard de kamer voor me betaald, hoewel ik hem heb uitgelegd dat het allemaal door Teen kwam en niet zozeer door mij. Mijn wilde schoten hebben er alleen voor gezorgd dat ik George een nieuwe hoed verschuldigd ben. Hij wilde er niets van weten, dus spendeer ik nu mijn avond in een kuip warm water.
Richard heeft me gevraagd na het opfrissen naar de saloon te komen. Er wordt getoost op het bereiken van deze stad en het overleven van een bandietenaanval. Zodra ik binnenkom, word ik door Richard in het middelpunt gezet. De hele avond drink ik op zijn kosten. En om niet al te onbeleefd over te komen of weer in discussie te gaan, onderga ik mijn lot door een biertje te nemen.
George is de eerste die naar me toe komt om me te bedanken. Hij staat erop dat ik in het vervolg naast zijn wagen rijd als persoonlijk lijfwacht. ‘Jij en je kameel zijn helden!’ roept hij terwijl hij vol trots zijn lek geschoten hoed voor me afneemt. De andere reizigers juichen met hem en heffen het glas. Na zijn goede voorbeeld komen alle reizigers mij een hand geven en toosten op mijn toevallige heroïsme. Iedereen behalve Benjamin, die nergens te bekennen is, en Florence.
Zij is wel aanwezig, maar blijft op een afstand toekijken hoe de mannen dronken worden. Ze lijkt geen interesse te hebben in me. Iedere blik die ik haar schenk, wendt ze af. Jammer genoeg is net zij degene die mijn daden juist inschat.
Richard haalt me uit mijn liefdesroes door me aan te tikken en mee te nemen naar een tafel waar wordt gepokerd. ‘Ooit gespeeld?’ vraagt hij. Ik schud mijn hoofd. ‘Je moet het ooit leren.’ Hij zet me naast George, die me wat geld geeft om mee te spelen. ‘Zie het als je eerste betaling voor het harde werken van vandaag. Als je me veilig naar Montpellier weet te brengen krijg je voor iedere dag nog eens zoveel.’ Tja, niet het goudzoeken waar ik naar op zoek ben, maar waarom ook niet. ‘Laten we dan maar spelen. Ik heb zojuist een goudmijn geopend.’ De mannen aan tafel lachen; Richard laat nog wat bier komen.

Aan het eind van de avond heb ik mijn eerste salaris alweer verspeeld. Richard heeft me net op tijd naar het hotel gestuurd anders had ik vaders zakhorloge ook nog vergokt, het gouden uurwerk dat nog van mijn grootvader is geweest. Een varken wordt hooguit twaalf jaar, een mens misschien vijfenzestig, maar slechts het goud zal de tijd overleven. Een zekerdere investering was er volgens hem niet. Het appeltje voor als de dorst groot is, niet bedoeld voor een potje kaarten.
Ik duik meteen mijn bed in zonder me van mijn kleren te ontdoen. ‘Zou je je niet eerst uitkleden?’ een vrouwenstem. Ik hoor water klotsen achter het rieten scherm dat het baddergedeelte van de rest van het vertrek scheidt. ‘Wie is daar?’ vraag ik terwijl ik mijn revolver uit mijn holster trek. Er lijkt iemand uit het bad omhoog te komen. Florence komt met een handdoek om haar lijf geslagen, de haren nog nat, achter het scherm vandaan. Zonder me een blik te gunnen loopt ze naar de drankkast. Ze schenkt twee glazen met whisky in en gaat op de rand van het bed zitten met haar rug naar me toe. Zonder om te kijken biedt ze me een glas aan. Ik stop mijn revolver weg en neem het aan.
Slechts een paar teugen kost het haar, terwijl ik nog met een verkrampt gezicht naar het glas kijk omdat ik weet dat ik al teveel gedronken heb. Ze vult haar glas bij. Ditmaal blijft ze tegen de kast geleund naar mij staan kijken als ze het leegdrinkt. Mijn hartslag versnelt waardoor ik lijk te ontnuchteren. Ik giet de whisky naar binnen en loop op haar af om een nieuw glas in te schenken. De fles staat naast haar. Als ik hem oppak, pakt ze me bij mijn arm. Ik draai naar haar toe. Met haar andere hand haalt ze de knoop uit haar handdoek, die langs haar lichaam naar beneden glijdt. Ik laat de fles achter me neervallen en kom tegen haar aan staan. Mijn handen volgen het spoor van de handdoek over haar zachte huid. Ze bijt zachtjes op haar eigen lip als ik haar optil. Twee tellen later laat ik haar op bed vallen.

De volgende morgen schijnt de zon op mijn voorhoofd. De warmte en het licht maken me misselijk. Ik spring uit bed en spuug hangend boven het toilet de liters alcohol mijn lichaam uit. Ik spoel mijn mond met het badwater dat nog ruikt naar Florence. Ik denk iemand te horen aan de andere van het schot. ‘Florence?’ Geen reactie. Zou ze me nog steeds zien zitten? Of was het een dronken opwelling? Ik kom achter het riet vandaan en kijk naar het bed. Het is leeg. ‘Florence?!’ Weer geen reactie.
De hoteleigenaar weet me te vertellen dat de karavaan een paar uur geleden al is vertrokken, dus sla ik het ontbijt over en ga meteen naar buiten op zoek naar Teen. Als ik de straat op loop, hoor ik een stem achter me. ‘Ik zei je dat het een hoer was.’ Het is Benjamin. Hij staat met zijn rug tegen de muur bij de ingang van het hotel tabak te pruimen. ‘Ze is geen hoer!’ Hij spuugt bruine drab vlak voor mijn voeten. Mijn hand vliegt naar de holster. ‘Rustig maar. Ik wil niet met je vechten. Ik stond op je te wachten.’ ‘Waarom?!’ Ik houd mijn hand op de greep van de revolver. ‘Ben je niets verloren?’ Hij spuugt weer een klodder bruin speeksel, ditmaal niet op mij gericht. ‘Nee, waarom zou ik?’ Ik voel in alle zakken van mijn broek en jack. ‘Goed, dan is het geen hoer. Laten we maar gaan dan kunnen we de karavaan nog inhalen.’ Op dat moment voel ik aan de binnenzak van mijn jack. Er zit niets in. Geen geld, wat ik heb opgemaakt, maar ook geen zakhorloge. ‘Shit, mijn zakhorloge!’ Hij loopt de hoek om naar waar zijn paard is vastgebonden. ‘Reden te meer om op te schieten.’

Tot de ergernis van Benjamin rent een galopperende kameel maar half zo snel als een galopperend paard. Wel geeft het hem de kans uit te leggen waarom hij op me heeft gewacht. Volgens hem is de bandietenaanval geen toeval. Steeds vaker rapporteren reizigers bestolen te zijn. Op de een of andere manier gebeuren dergelijke overvallen vaker bij karavanen onder leiding van Richard dan bij andere karavaanleiders, toch is Richard er niks armer van geworden. Bovendien lijkt hij steeds enthousiaster te worden over zijn werk.
Er hangt nu al een aantal maanden een ‘Gezocht’-poster in alle steden langs de Oregon Trail. Benjamin, de streberige premiejager, is vastberaden om een eind te maken aan de aanvallen. Volgens hem zouden die nooit kunnen lukken zonder een interne man. ‘De meeste karavanen krijgen het zelfs voor elkaar een troep Indianen af te schrikken, laat staan een paar criminelen.’ ‘Waarom heb je mijn hulp dan nodig?’ ‘Die kameel van jou heeft roet in het eten gegooid, daarom hebben ze ervoor gezorgd dat je vanmorgen niet op tijd wakker zou worden. En jij hebt maar al te gretig toegehapt.’ Mijn gezicht wordt rood van schaamte. ‘In mijn eentje krijg ik geen zes bandieten te pakken.’ ‘Zes?’ ‘Ja jongen, die hoe…’ hij herstelt zich bij het zien van mijn vernietigende blik, ‘…meid van jou speelt schaamteloos mee.’
‘Genoeg geouwehoer, tijd voor wat vingeroefeningen.’ ‘Vingeroefeningen?’ ‘Zie je die vogels daar?’ Hij wijst naar boven. ‘Als jij me wil helpen, zul je moeten leren van je kameel te schieten. Ik heb genoeg patronen, dus schiet maar eens een lunch uit de lucht.’ ‘Lunch? Bedoel je geen ontbijt?’ Hij lacht: ‘Overschat jezelf niet, jongen.’ ‘Eikel,’ mompel ik, terwijl ik probeer stil te zitten om te richten.

Dertig patronen later, als de vogels alleen op de grond liggen van het lachen en Benjamin de hoop op eten ruimschoots heeft opgegeven, vraagt hij me te stoppen met schieten. ‘Ik krijg er heus wel één te pakken,’ mopper ik. Hij wijst naar opstuivend zand een paar kilometer voor ons. Het is de karavaan. Ondanks mijn schietoefeningen hebben we de karavaan eerder ingehaald dan verwacht. ‘We doen er verstandig aan de aandacht niet op ons te vestigen.’ De kans op wat eten is voorlopig dus verkeken. We minderen vaart en blijven er op een veilige afstand achteraan reizen. Benjamin gooit een zakje pruimtabak. ‘De lunch,’ grapt hij.
De middag verstrijkt. De premiejager steekt zijn hand op: we stoppen. De wagens en karren worden in een cirkel achter elkaar gezet. Een verdedigingstechniek tegen Indianen. In het midden van de cirkel wordt een kampvuur aangemaakt. Ze maken zich op om te gaan eten. ‘Nu moet je goed opletten.’ Hij leunt voorover in de nek van paard en knauwt uitbundig op de tabak. Hij propt zijn mond steeds voller, kauwt vlugger en spuugt vaker. Ik maak gebruik van de stilstand door mijn revolver eens te bekijken. Alle kogels zitten nog goed in de cilinder. Ik zou gezworen hebben dat ik ze er verkeerdom in heb gedaan. Wie wil er nou een pistool laden op een kapseizend schip?
‘Kijk daar!’ hij wijst naar vier gestalten, ruiters, die uit de noordrichting het wagenkamp naderen. Hij spoort zijn paard aan en sprint de zuidelijke kant in. Ik stop mijn revolver terug, laat de tabak uit mijn mond vallen en galoppeer achter hem aan. Een paar honderd meter ten zuiden van het kamp springen we van ons rijdier af. We sluipen naar de dichtstbijzijnde huifkar en blijven erachter op onze hurken zitten wachten. Het is precies mogelijk om onder de wagen door te kijken naar de zuipende, vretende reizigers rond het kampvuur. Richard en Florence moedigen het drankgelach aan.
Aan de noordzijde is er een opening gelaten, er lijkt een wagen te ontbreken. Bij de opening staat een van de mannen op wacht. Richard komt zijn kant op gelopen en fluistert iets in zijn oor, waarop de bewaker zijn geweer afgeeft en zich naar het vreetfestijn begeeft. Op dat moment zie ik Florence de groep rond het kampvuur verlaten. Ze verdwijnt in haar woonwagen. Ook Richard is verdwenen.
Schoten klinken. De ruiters komen het kamp binnengereden en schieten wild in de lucht. Twee vogels vallen dood neer, waarop ik kramp in mijn buik krijg. De reizigers duiken naar de grond en leggen hun handen op het achterhoofd.  De vier stijgen af en beginnen de zakken te legen van hun slachtoffers. Benjamin gebaart me oostwaarts te gaan naar Florence, hij neemt eerst Richard te grazen aan de westkant. Daarna wordt het een tweefrontenoorlog voor de rovers.
Ik sluip ongezien naar de wagen van Florence. De deur zit aan de binnenzijde van het kamp. George ziet me onder de wagen liggen. Hij roept: ‘Hela!’ waardoor de rovers de aandacht op hem vestigen en ik de kans krijg naar binnen te verdwijnen.
Florence zit geduldig een glaasje whisky te drinken al spelend met grootvaders zakhorloge. ‘Kom binnen,’ zegt ze zonder me aan te kijken. Ze staart in het glas. Ik trek mijn revolver en richt hem op haar. ‘Geef me het horloge!’ Ze lijkt niet onder de indruk en neemt en slok van de drank. ‘Geef me het horloge.’ Al iets minder overtuigd dan zojuist. Nu kijkt ze me strak in de ogen: een ondeugende, verleidende blik. Ik slik. Ze maakt de bovenste knopen van haar jurk los. Waarom ben ik niet achter Richard aan gegaan? Vervolgens pakt ze het horloge en laat het in haar boezem vallen. De trut. Ik krab een keer met de loop over mijn voorhoofd.
Een eerste schot is hoorbaar. Waarschijnlijk Benjamin die Richard heeft uitgeschakeld. Vrijwel meteen erna hoor ik de bandieten schreeuwen. Een van hen gaat een kijkje nemen. Nog even en het vuurgevecht barst los. Dat betekent dat ik moet opschieten.
Ik stop de revolver terug in mijn holster en stap op haar af. Ze kijkt misschien ondeugend, maar ze lacht me uit. Ik pak haar jurk met beide handen bij de kraag vast en trek hem uiteen. Ze kreunt door de bange opwinding van de aanstaande storm voor de meest innige stilte. Ik haal het horloge tussen haar borsten vandaan, keer haar de rug en schenk me een glas whisky in. ‘En nou oprotten!’ luidt mijn bevel. Ze drukt haar lichaam tegen mijn rug en fluistert in mijn oor: ‘De volgende keer zijn de hotelkosten voor mij.’
Op dat moment krijg ik gelijk: Benjamin is het gevecht aangegaan met de vier bandieten. Ik duw Florence aan de kant en open de deur iets te enthousiast waardoor twee mannen door de klap gealarmeerd worden. Ze richten hun vuren op mij. Ik duik aan de kant, voor de opening vandaan. Een van hen schiet dwars door het hout, waarachter ik me bevind, in mijn linkerschouder. Ik kerm het uit als ik me voorover laat vallen. Ik blijf liggen en kijk naar Florence die de tafel omver heeft gegooid en erachter gekropen is. Ditmaal keert ze me haar rug niet, maar ze komt niet uit haar schuilplaats, zelfs niet om te kijken hoe het met me gaat. Het laat haar koud, ze denkt alleen aan haar eigen hachje.
Het schieten lijkt voorbij te zijn. Ik kijk voorzichtig naar buiten. Benjamin is nergens te bekennen, de rovers klimmen net op hun paarden. Dit is mijn kans: al schietend vlieg ik de woonwagen uit. ‘TEEEN!!’ De bandieten schieten terug, de paarden krijgen opdracht van het kamp weg te rijden, richting het Noorden. Gelukkig ben ik niet de enige die al rijdend slechter schiet, dus verdwijnen de meeste kogels in de wagen van Florence.
Benjamin komt op zijn paard het kamp binnen gereden, met Teen aan zijn zijde. Hij moet al eerder ontsnapt zijn. Als hij ziet dat ik in orde ben, zet hij een extra versnelling in. Ik spring zo snel ik kan tussen de bulten van het slagschip en volg hem. De paarden zijn vele malen sneller dan Teen, dus probeert Benjamin de ruiters de pas af te snijden zodat ze van richting moeten veranderen. Dat geeft mij de kans ze bij te houden.
Op het moment dat Benjamin ze bijna voorbij is, draait een van de ruiters zich om. Hij zit nu achterstevoren op zijn paard. Benjamin krijgt één kans om te schieten, maar mist. Op zijn beurt schiet de rover de premiejager van zijn paard. Teen heeft de schutter in weten te halen, hoewel de drie andere rovers uit het zicht zijn verdwenen. Ik laat de nek van Teen los en klem mijn knieën extra goed tegen haar buik. Met links kan ik door de kogel in mijn schouder niets beginnen. De rover ziet me aankomen, draait zich weer om en spoort zijn paard enkele keren aan. Het is nu of nooit. Ik trek mijn revolver en schiet alle zes de kogels voor me uit.
De merrie zakt door haar achterbenen en rolt vervolgens over de grond. De bandiet eindigt onder het verwonde beest.  Geen mogelijkheid te ontsnappen. Benjamin is weer op zijn paard geklommen en komt onze kant op gesneld. ‘Heeft hij je lelijk geraakt?’ Hij haalt zijn bebloede hand van zijn borst af, waar een schotwond zichtbaar is. ‘Hij heeft me op een haar na gemist,’ zegt hij cynisch.
Hij loopt op de merrie af die met haar benen begint te trappelen als hij te dichtbij komt. Hij schiet het beest door haar kop. Ze is op slag dood. ‘Rijd anders terug naar het kamp en zeg de heren dat het avondeten voor ze geslacht is.’ In de korte tijd dat ik in het beloofde land ben, heb ik geleerd dat je nooit iemand met een revolver en slechte zin moet tegenspreken, dus begeef ik me naar het kamp.

Die avond is er een groot vuur om de overledenen te verbranden. De woonwagens van Richard en Florence zijn afgebroken. Het hout is op een hoop gegooid en in brand gestoken. Richard is door Benjamin neergeschoten volgens plan en verdwijnt nu als eerst op de brandstapel. De tweede die op het vuur gaat is de merrie van de bandiet, hoewel zij er weer af wordt gehaald voordat ze te verkoold is om op te eten.
Haar voormalige eigenaar blijkt een Indiaan te zijn. Een Sioux of Blackfoot vermoedt Benjamin. In ieder geval meer waard dan hij in eerste instantie had gedacht. Voor Indianen wordt altijd grof geld betaald, hoewel niet iedere sheriff een dood exemplaar accepteert. Daarom heeft Benjamin hem zolang maar achter een huifkar gebonden. Iemand levend schieten is hem immers nog nooit gelukt.
Voordat de woonwagen van Florence werd afgebroken, ben ik eerst binnen gaan kijken. Ik hoopte stiekem dat ze nog achter de tafel zou zitten en me aan zou vliegen uit dank om vervolgens nooit meer bij me weg te gaan. Het enige wat ik vond was de fles whisky. Met mijn rug tegen Teen zit ik van een afstandje te kijken naar de feestende reizigers die vergeten zijn dat een paard een edel dier is. Ze trekken en rukken het vlees van haar lijf en schransen het naar binnen. Ik dineer vanavond in gedachten door de fles whisky en Florence.

De karavaan.pdf