In de schaduw van de deur zit ik op mijn hurken in de slaapkamer te gluren naar de lange, donkere jas die mijn moeder zojuist heeft binnengelaten. Ik heb de deur op een kiertje gezet en geen kaarsen gebrand in het slaapvertrek. Vanuit de gang is het net alsof ik de deur op een kiertje heb laten staan, toen moeder me naar bed stuurde. Ze kan me niet zien zitten. Dat heb ik in het verleden al vaker uitgeprobeerd. En als ze deze kant op komt, lig ik na twee flinke, geruisloze stappen weer in bed. Een handigheid die ieder kind zichzelf eigen maakt als het de slaapkamer deelt met haar moeder.
Ons huis bevat drie kamers: een woonkamer, een keuken en een slaapkamer. Ze worden verbonden door de hal waar net ruimte is voor een mat en kapstok. Het moet een bijzonder iemand zijn, besluit ik. Anders plukt moeder geen verse kruiden uit de vierkante meter die we voortuin mogen noemen. Een achtertuin hebben we niet. Ze gebruikt de kruiden om thee van te zetten. Normaal krijgen we alleen gedroogde, oude kruiden. ‘De verse zijn voor een speciale gelegenheid.’ Die zal vandaag wel zijn.
Het is erg donker in de hal dus kan ik niet goed opmaken wie het is, het enige licht komt van moeders kaars, maar aan de contouren te zien is het een man. Moeder neemt zijn lange gewaad aan en geleidt hem naar de woonkamer aan de overzijde van de hal. De haard brandt en verlicht de ruimte. Het zou de dorpspriester kunnen zijn. Niet veel anderen in het dorp dragen lange gewaden, die zijn veel te duur voor de mijnwerkers en huisvrouwen om vies te maken, bovendien heeft hij dezelfde manier van lopen. Hij gaat zitten. Moeder haalt de thee en wat koeken. Ze zet beide neer op de salontafel en sluit de deur. Nu kan ik helemaal niets meer zien.
De lage basstem van de priester doet de vloer vibreren. Hij opent het gesprek. Jammer genoeg trillen alleen de klanken en niet de woorden door het hout. Als ik nou iets dichterbij zou kunnen komen, dan kan ik horen wat hij zegt. Het is een kwestie van de hal doorkruisen en mijn oor tegen de woonkamerdeur leggen, eenvoudig maar ik durf niet. De laatste keer dat moeder me betrapte nog wakker te zijn, toen zij naar bed ging, heb ik twee weken de aardappelen mogen schillen. En zo vrijgevig als ze in dat soort weken is, heeft ze de buren aangeboden ook hun aardappels schoon te maken. Als ze me betrapt op luistervinken, dan biedt ze mijn diensten het hele dorp aan.
Lepeltjes rinkelen door de mokken, waarna moeders sopraan door de balken suist. Ze lijkt geïrriteerd, kon ik maar horen waarom. Ik duw de deur nog wat verder open. Hij piept. Ik zit in aanslag om in bed te springen, maar het lijkt erop dat ik de enige ben die het heeft gehoord. De woonkamer blijft gesloten. Ik sluip naar de overzijde van de hal en blijf gehurkt achter de deur zitten. Eerst probeer ik mijn ademhaling onder controle te krijgen. Door de spanning in mijn lijf hoor ik alleen mezelf en is het moeilijk me te concentreren op wat er wordt gezegd.
‘Ze is oud genoeg om het nest te verlaten.’ Gaat het over mij? Moet ik opeens het huis uit? Dat laat ze toch niet zomaar gebeuren? Het is hier klein maar ik zit niemand in de weg. ‘In de stad zijn genoeg jonge meiden die nog thuis wonen. Waarom moet het bij ons anders zijn?’ Gelukkig, zij denkt er hetzelfde over. ‘Die meiden gaan naar school en worden over enkele jaren priesteres, of gaan aan het hof werken of zelf lesgeven,’ legt hij uit. ‘Uiteindelijk leveren ze allemaal een waardevolle bijdrage aan de koning. Hetzelfde wordt van uw dochter verwacht.’ Mijn moeder is het er niet mee eens. ‘Dan gaat mijn Denne ook naar school,’ stelt moeder naïef.
‘Eva,’ beklemtoont hij, ‘of moet ik zeggen: Evergard.’ Hij houdt stil, alsof hij zijn punt gemaakt heeft door mijn moeders naam volledig uit te spreken. Ik heb hem toevallig ooit op een armband zien staan, maar als ik niet stiekem haar juwelendoos had doorzocht, zou ik haar echte naam nooit hebben geweten. ‘Dat was mijn naam vroeger,’ verklaarde ze me. ‘Nu noemt iedereen me Eva.’ Meer heeft ze er niet over gezegd en ik heb er nooit bij stilgestaan waarom. Het verbaast me dat de priester d’r hele naam kent.
Moeder zucht: ‘Is er echt niets anders mogelijk?’ Dit bevalt me niks. Ik heb nog geen idee wat de priester voor ogen heeft of ik heb er al een slecht gevoel bij. ‘U mag van geluk spreken dat u überhaupt in dit prachtige land mag blijven.’ ‘Ik weet het,’ mompelt ze terneergeslagen. ‘Maar kan ze het land niet op een andere manier dienen? Ze zou bij de apotheker Graman kunnen werken. Ze zit nu hele dagen bij de oude man en leert veel van hem.’ Mijn hart gaat tekeer. Bij Graman gaan werken lijkt me wel wat. Ik zou liever naar school gaan, maar als dat geen optie is, dan leer ik wel in de praktijk. Ik druk mijn oor nog vaster tegen de deur, zodat er geen misverstand kan zijn over zijn antwoord.
‘De dochter van een Ever, het volk dat onze koning tot weduwnaar heeft gemaakt, die ons medicijn moet maken? De mensen zullen denken dat ze vergif innemen. En als ze ooit heimwee krijgt naar haar voorvaderen wier bloed door haar aderen stroomt, wie zegt mij dan dat het geen vergif is? De oude man Graman, voor wie ieder moment zijn laatste kan zijn? Nee, als hij sterft, halen de mensen hun medicijnen maar in de stad. Dat is veiliger voor iedereen.’
Hij spreekt zo snel dat het even duurt voordat zijn woorden bij me binnenkomen. Ik laat me achterovervallen tegen de muur, waar ik ga zitten op de vloer. Het hout ervan kraakt. Nu moeten ze me wel gehoord hebben, maar het maakt niet uit. ‘Evergard,’ fluister ik. Ze is een Ever, een van de vijanden waar ik elke dag les over krijg in de tempel. De reden dat ik mijn land moet dienen: de eindeloze oorlog tegen het volk dat geen gevangenen neemt maar alle vrouwen, kinderen en soldaten verkracht en vermoord om vervolgens alle huizen in brand te steken. Er blijft niets over na een aanval van de Ever. Dag in dag uit kijkt de priester me aan als hij benadrukt wat een verschrikkelijk volk het is. En nu begrijp ik waarom hij alleen mij aankijkt en niet de andere kinderen. Mijn moeder is een Ever.
Niemand stormt de kamer uit om me naar bed te sturen. Ze praten voortdurend over me, maar opmerken doen ze me niet. Ik overweeg mezelf straf te geven en naar bed te gaan. Dan hoor ik moeder weer. Ze neemt het voor me op: ‘Geef haar een kans. Ze weet niet wie haar voorouders zijn, ze kent mijn naam niet eens. Emond, ik smeek u.’ Mijn voorouders. Allemaal Evers. Moordenaars van kinderen. Ze houden zich schuil in de bossen tot het juiste moment om toe te slaan. Soms wachten ze maanden of zelfs jaren. Soms branden ze dag na dag een dorp plat.
‘Een smekend zwijn, piepend, gillend, schreeuwend voor haar leven,’ antwoordt de priester. ‘Ik laat haar gaan en besluit die dag brood te eten. Een dag later loop ik door het bos. Misschien ben ik op zoek naar bessen, zodat ik geen zwijn hoef te eten, kom ik haar tegen in het bos. Ze herkent me maar denkt niet na. Ze stormt op me af om haar jongen te beschermen. Als ik geluk heb, overleef ik het. Zal ik nog kunnen lopen? Zal ik de Vrouwe kunnen dienen? Zal ik het volk nog kunnen leiden? De antwoorden ken ik niet, maar het zijn vragen die ik eigenhandig kan voorkomen.’
De Ever, vernoemd naar het everzwijn vanwege hun moed en kracht, maar vooral hun onreine lust in de grond te wroeten. Een smerig volk, niet in lijn met de leer van onze Vrouwe, ook wel de Reine of Pure genoemd. Iedere morgen in de tempelklas leert hij ons het belang van de bron. Hij opent iedere les met dezelfde zinnen: ‘Het is niet toevallig dat deze tempel aan de oever van een waterbron is gebouwd. Dichter bij Haar goddelijkheid kunnen wij mensen niet komen.’ Daarna legt hij ons keer op keer uit dat het zuivere water hier onaangetast uit de aarde opspringt. Het is de basis van al wat goed is, zoals het leven of de handel. Vooral de handel lijkt hij dan belangrijk te vinden. ‘Die maakt dat we niet hoeven schuilen in de bossen,’ zo zegt hij. Het water vervuilen tot modder, het schoonheidsbad van een zwijn, zorgt voor ziektes als men het drinkt en laat schepen vastlopen in de rivier.
‘Of zal ik u terugsturen naar het dorp waar ik u gevonden heb?’ gaat hij verder. ‘Misschien treft u er mensen die u in de steek hebt gelaten. Mensen die u hebt verraden. Een overloper, een spion, zal u genoemd worden. Ze zullen u aan het spit rijgen met uw dochter ernaast. Een feestmaal!’ Hij pauzeert even. Moeder haalt haar neus een paar keer op. Zou ze huilen? Ik ga weer in mijn hurken zitten en overweeg naar binnen te gaan. Ik reik naar de klink. Dan hoor ik berouw in zijn stem alsof hij mijn moeder wil kalmeren: ‘Natuurlijk kan dat alles worden voorkomen. Ik wil niets liever dan u beiden beschermen. In naam van de Vrouwe en Haar Heilige Bron.’
Hij zet zijn mok luid neer op tafel alsof hij een onuitgesproken afspraak wil bevestigen. Moeder zal geknikt hebben of ze heeft zo zacht gesproken dat ik het niet heb verstaan. In ieder geval moet ik me naar bed haasten. Als de priester me hier ziet spioneren dan worden we zeker het land uitgezet. Ik ren zo stil ik kan naar de slaapkamer en duik in bed. De deur heb ik in de haast open laten staan. Ik wil nog uit bed komen om hem te sluiten, maar hoor de priester al in de gang.
‘Ze wordt over een week veertien,’ stelt hij. ‘Een mooie leeftijd om in te trekken en dienst te doen als een van de tempelvrouwen. Het is geen priestersfunctie, maar ze zal baden in de glorie en het water van de Vrouwe zelf. Een prima toekomst al zeg ik het zelf.’ Hij trekt zijn jas van de kapstok en opent de voordeur. ‘Denk eraan: afspraak is afspraak.’ En dan valt de deur dicht. Wat zullen ze met me gaan doen? Een van de tempelvrouwen… wat betekent dat? Moet ik in de tempel gaan werken? Ik blijf die nacht malen over mijn verjaardag. Ik heb er voor het eerst geen zin in. In de gang hoor ik mijn moeder regelmatig haar neus ophalen. Ze komt vannacht niet naar bed.

Na toch nog enkele uren geslapen te hebben, word ik met barstende hoofdpijn en een uitgedroogde keel wakker. Ik trek mijn lange, zwarte jurk aan. Het is me verplicht om in die jurk naar school te gaan. Vervolgens drink ik in de woonkamer nog wat van de koude thee van gisteravond. Rechtstreeks uit de mond van de pot. Meer ontbijt lust ik vanmorgen niet. Moeder ligt op het kleed voor de haard. Ze verkeert in een diepe slaap. Ik buig me voorover, geef haar een zoen en ga dan op school aan. Aan de overkant van de straat maak ik eerst nog gebruik van het buitenhuis.
Als ik het toilet verlaat, loop ik niet de berg op, richting school, maar volg ik de heilige rivier, afkomstig uit de Bron, berg afwaarts. Ik passeer de noordelijke klif en de schaapsbulten, twee heuvels waar boer Roeland zijn schapen laat grazen. De rivier stroomt door de tuin van Graman. Wadend door de rivierbedding is het mogelijk op zijn erf te komen, zonder dat hij me opmerkt en naar school stuurt. Het is een erg vriendelijke man en ik kom hier graag, maar hij houdt zich vaak iets teveel vast aan principes en regels. Dat maakt waarschijnlijk ook dat hij zo goed is in het bijeenzoeken en mengen van kruiden om er drankjes of zalfjes van te maken.
Ik stap uit de rivier en loop gebukt over het gras tot in de schaduw van een klein bamboebos. Ik ga er met mijn rug tegenaan zitten. Hier zit ik veilig. Niemand heeft me gezien en evenveel man weet me hier te vinden. Tijd om even alles van me af te zetten. Ik adem diep in. De bloemen en planten in de omgeving lijken me te kalmeren. Graman heeft het er altijd over dat de sappen ervan helende krachten bezitten. Als je ze uit het blad of soms uit de bast perst en mengt met water of andere sappen, dan kun je iedere kwaal bestrijden. Het is een kwestie van de juiste plant vinden. Volgens mij verspreiden de planten hun geneeskrachten ook via de lucht.
De groene plek waar ik me bevind, is omringd door cyclaam. Wat voor krachten die bloem heeft, weet ik nu even niet meer. In ieder geval kalmeert haar geur me. Ik besluit languit in het gras te gaan liggen. Met mijn handen onder mijn hoofd staar ik voorbij de metershoge stengels naar de blauwe lucht. ‘Afspraak is afspraak.’ De woorden van de priester spoken door mijn hoofd. Welke afspraak? Ik adem diep in en probeer de gedachten los te laten. Oogjes dicht, diep inademen naar de buik en vervolgens de zorgen wegblazen, dat heeft Graman me geleerd.

Als ik mijn ogen open lijkt de wereld te draaien. Ik heb het heet, ik zweet. Ik concentreer me weer op mijn ademhaling. Wellicht dat het na een paar keer zuchten overgaat. Ik adem diep in en stik bijna in de pollen van de voorjaarslucht. Ik probeer overeind te komen om te drinken van de rivier. Op een been het ander is te zwak. Ik zet twee halve stappen en val voorover weer neer met mijn gezicht in het grind dat een pad vormt naar Gramans huis. Ik kan mijn ogen niet meer geopend houden. De geluiden in de omgeving verdwijnen naar de achtergrond. In de verte hoor ik een stem. Hij galmt door de tuin. Het is Graman. Ik probeer te lachen zoals ik dat altijd naar hem doe. Iemand rent door het grind. Ik wil mijn ogen openen. Het lukt niet.
Dan word ik opgetild. Ik wil het niet. ‘Blijf van me af!’ roep ik zonder mijn lippen of tong te bewegen. Ik sla in gedachten de ontvoerder van mijn lijf. Ik schop zonder hem te raken. Hij trekt de jurk van mijn lijf en smeert zalf over mijn hele lijf. Ik huil net als mijn moeder. De hele nacht voor de haard, omdat ze geen afscheid kan nemen. Mijn hele lichaam wordt warm, alles begint te tintelen. Het draaien in mijn hoofd neemt af, maar ik krijg mijn ogen nog niet geopend.
En opeens schrik ik wakker in mijn ondergoed badend in de rivier. ‘Achter me liggen een handdoek en je jurk.’ Graman staat met zijn rug naar me toe. Ik houd een arm voor mijn borst en klim uit het water. Hij loopt naar de andere zijde van de bamboe, waar ik zojuist in slaap gevallen ben, zodat ik me rustig kan afdrogen en aankleden.
‘Je hebt niet de beste plek uitgekozen om te gaan liggen.’ Hij hoort me zijn kant op komen. Ik weet nog steeds niet goed wat er gebeurd is, dus reageer niet. Hij zit gehurkt in het gras de cyclaam te bekijken. ‘Deze hoort hier niet,’ zegt hij als hij er een afwijkende bloem tussenuit plukt. Ik let er niet op. Ik probeer me te herinneren of het gras op de plek waar ik gelegen heb zojuist ook al geel zag. ‘Een distel,’ merkt hij op als hij het onkruid voorzichtig in zijn zak stopt.
‘De cyclaam helpt mensen bij het nemen van afscheid en de distel werkt tegenspoed in de hand. Een gevaarlijke combinatie die je waarschijnlijk heeft vergiftigd.’ Ik kijk om me heen en herinner me een van zijn plantkundige lessen. Alle planten bezitten van nature een kracht. Als een plant wordt geroken of gegeten, dan komt die kracht vrij. De bamboe, weet ik nog, staat symbool voor de eeuwige jeugd en kracht. Daar lijkt me niets mis mee. Hij kijkt me boos aan. ‘Waarom heb je niet even gemeld dat je hier was? Als je niet achter die bamboe vandaan was gevallen, had ik je nooit gevonden.’ Ik wil hem bedanken, maar weet niet goed hoe. Ik heb gefaald. Hij heeft me herhaaldelijk verteld bedachtzaam te zijn in zijn achtertuin. De wetenschap wie mijn voorouders zijn, heeft me te impulsief gemaakt. Hij wijst naar boven, de lucht is donkerrood bijna zwart. ‘Laten we naar binnen gaan.’ Hij gunt me geen blik en loopt voor me uit.
Bij het huis aangekomen opent hij de achterdeur voor me. Net voor ik binnenstap, houdt hij me tegen. Hij legt zijn hand in mijn gezicht. ‘Je krijgt weer een beetje kleur,’ zegt hij. Ik laat mijn ogen hangen. ‘Ik dacht dat de bamboe me wel zou beschermen.’ Hij laat me binnen. ‘Niet haar schaduwkant, die geeft de eeuwige jeugd een koude nasmaak.’ We gaan zitten bij de haard. Er liggen al houtblokken klaar. Het kan hier ’s avonds erg koud worden.
‘Vertel.’ Het is niet iedere dag zo dat ik zijn erf op sluip. Normaal kom ik via de voordeur en zitten we samen de hele middag in de boeken of lopen we door de tuin om de planten te bestuderen. Ik leg hem dus meteen eerlijk uit wat er gebeurd is. Dat ik uit bed gekropen ben en de priester heb afgeluisterd om erachter te komen dat ik afstam van de vijand. Ik hoop dat hij ervan schrikt. Dat hij in woede opspringt of van verbazing achterovervalt. In tegendeel, hij lijkt het allemaal te begrijpen alsof hij al jaren weet dat mijn moeder een Ever is. ‘En nu moet ik het land gaan dienen, of zoiets, omdat ze jaren geleden mijn moeder bescherming hebben geboden.’
‘Ik begrijp het niet,’ ga ik verder, ‘waarom moet ik een van de tempelvrouwen worden als moeder degene is die schulden heeft.’ Nu schiet Graman wel overeind. ‘Een van de tempelvrouwen?!’ kraamt hij uit. Daar schrikt hij dus blijkbaar wel van. ‘Als ik het goed verstaan heb,’ antwoord ik verlegen. Ik wil hem niet weer overstuur krijgen door een van mijn stomme fouten. Hij ijsbeert door de kamer. ‘Waarom schrik je daarvan?’ Hij stormt de kamer uit richting zijn werkplaats.
Het is een grote kas met uitheemse planten. De eerste keer dat ik hier was, bewonderde ik het prachtige glas, dat zie je nergens. Zelfs de tempel heeft glas in lood, wat al mooier is dan het smerige linnen dat voor onze vensters zit. Maar dit glas is helemaal doorzichtig. In het midden staat een werktafel omringt door kasten vol flesjes en potjes. Hij doorzoekt alles en legt enkele onbewerkte kruiden in een mand die op de tafel staat. De wat exotischere planten knipt hij vers in de kas.
‘Je moet weer op huis aan gaan. Je moeder zal ongerust zijn. En als je haar gerust hebt gesteld dan ga je naar de tempel om je lessen te volgen.’ Hij begint razendsnel te praten als hij in de gaten heeft dat ik in de kas aanwezig ben. ‘Je moet gaan.’ Hij grijpt de mand onder zijn arm, raast me voorbij en schiet al zoekend de achtertuin in. Ik volg hem.
Hij knipt hier en daar nog wat takken van kruiden die hij toevallig tegen het lijf loopt op zoek naar de rivier. Daar vult hij drie potten met water. Als hij de deksel op het derde potje schroeft, merkt hij pas dat ik hem wederom gevolgd ben. ‘Ben je hier nou nog?!’ Hij lijkt kwaad en loopt weer razendsnel naar het huis. Ik moet nu bijna rennen om hem bij te houden.
De mand staat al op de salontafel met Graman er ongeduldig naast als ik bij het huis aankom. ‘Loop nu niet te treuzelen.’ Hij klinkt streng. ‘Neem deze mand met je mee. ‘Je zorgt ervoor dat niemand je vindt en je neemt je moeder mee. Weg van hier. Weet wat je van me hebt geleerd.’ Hij is helemaal buiten adem. ‘Graman, wat gaat er met me gebeuren?’ Hij komt bij me staan en legt mijn hoofd tegen zijn buik. ‘Wat er ook gebeurt, geloof me. Alles is beter dan dienen als tempelvrouw.’ Hij drukt een cichoreitwijgje in mijn hand. ‘Bewaar dit op een plek waar niemand het je af kan nemen.’ Ik stop het in mijn onderbroek. Na een stevig afscheidsknuffel zet hij me eruit.

Tussen de tegels voor ons huis groeit op een bijna onmogelijke plek een kleine begonia. Een van Gramans lessen spookt door mijn hoofd: ‘Bij het zien van een begonia ga dan bedachtzaam verder of keer om. Zij waarschuwt je voor het pad dat komen gaat.’ Wat kan er misgaan bij een thuiskomen? Moeder is vast bezorgd maar dat is niets om me voor te waarschuwen. Ze zal het vast begrijpen. Ik loop verder en zie dat de voordeur op een kiertje staat. Naast de ingang staat een wandelstok tegen de gevel. Er is bezoek.
In de gang aan de kapstok hangt weer een lange, zwarte jas. Het is de jas van Emond, de priester. Bedachtzaam of omdraaien. Ik heb geen idee wat me te wachten staat, dus kan ik beter omdraaien. In plaats van naar mijn gevoel te luisteren, loop ik de woonkamer binnen, waar stemmen hoorbaar zijn. ‘Is er écht niets wat we kunnen regelen?’ Ik zie mijn moeder smekend op de grond.
‘Een zwangere vrouw ligt verslagen aan de voeten van de koning. Hij tilt haar hoofd uit het zand en vraagt haar hem aan te kijken. De overwinnaar knielt voor u neer en legt zijn hand op uw buik. Hij voelt een krachtige hand die hem van binnenuit begroet. “Een sterke zoon zult u krijgen,” voorspelt hij. “Hij zal een nog sterkere man nodig hebben om hem te leren vechten.” Waarop de moeder met haar zoon gratie wordt verleend niet als vijand opgesloten, maar als vriend vrij te leven in ons Rijk.
Hij haalt zijn schouders op. ‘Waar blijft de zoon die voor ons land zal vechten?! … Een dochter dient de tempel.’ ‘Maar ik zou pas op mijn verjaardag naar de tempel moeten!’ roep ik als ik mijn entree maak. Ik dacht hem te overrompelen door mijn plotselinge aanwezigheid, maar hij kijkt er nauwelijks van op. ‘En hoe weet deze jongedame dat?’ ‘Ik… uhm…’ ‘Heeft zij ons afgeluisterd misschien?’ Hij keert zich tot mijn moeder. ‘Spijbelen én afluisteren, het gaat bergafwaarts met uw dochter. We moeten onmiddellijk ingrijpen.’ Moeder wendt haar hoofd. De priester ziet het als een instemming.
Hij pakt me bij mijn arm. ‘Au!’ roep ik, hij knijpt hard. Moeder kijkt niet om. Hij gaat in zijn hurken zitten en kijkt me diep in mijn ogen aan zonder te knipperen. ‘Mooi op tijd voor de komst van de koning.’ Hij trekt een mondhoek omhoog. ‘De koning?’ vraag ik hem. Hij antwoordt door de mand uit mijn hand te trekken. ‘Moeder!’ roep ik. Hij gaat staan en sleurt me mee naar buiten. ‘MOEDER! Ik wil niet!’ Ik grijp de deurpost beet en probeer me naar binnen te trekken. Hij gromt: ‘Jij hebt niks meer te willen.’ Vervolgens pakt hij de wandelstok en slaat zo hard hij kan op mijn hand, waardoor ik loslaat.

Hij heeft me overgedragen aan een oudere dame, die me vervolgens naar mijn slaapverblijf heeft gebracht. Ze legt een stapel kleren op de stoel en een poederdoos op het tafeltje met in het midden een grote spiegel. ‘Ga je gereedmaken voor onze gast,’ moppert ze, waarop ze omdraait en de kamer verlaat. Ik houd de jurk voor mijn lichaam om te zien hoe deze me zal staan. Ze ziet er niet erg verhullend uit, bovendien is er geen onderjurk meegeleverd. Dat moet haast wel een vergissing zijn. Er liggen verder alleen hakschoenen en ondergoed.
Tegenover de deur van de vierkante kamer hangt een groot raam, een afbeelding van de Vrouwe die waakt over de bron. Ik leg de jurk weer over de stoel en ga voor het raam staan. Ik zet mijn handen op het raam en druk mijn hoofd ertussen, mijn oogballen bijna tegen het glas. Ik zie de rivier met daarachter de Aardtrap, een grote berg die de Vrouwe bij volle maan gebruikt om uit de hemel te treden. Ze stapt geruisloos in het water en baadt in alle rust, weg van huis en zorgen. De eerste dag na volle maan is de Bron het meest helder en schoon.
Ik ga zitten op het bed tegenover de spiegel. Ik zie mezelf zitten op bed, de mislukkeling die haar mand met kruiden is verloren en haar heeft laten opsluiten in een tempelkamer. Als ik niet had gespijbeld, had ik een week de tijd om te ontsnappen. Ik zou moeder meenemen en was met haar naar de bossen gevlucht. Dat doet me denken aan het cichoreitwijgje. Aangezien er nieuw ondergoed klaarligt, is er een nieuwe bergplaats nodig. Ik haal het eruit en verberg het onder het matras.
Een sleutel roert het slot. De oude vrouw opent de deur. Ze wordt woedend als ze me nog in bed ziet zitten. ‘Nog niet klaar!?’ Ze stapt op me af en trekt me van bed. Ik val voorover op de grond. ‘Opstaan!’ Ze tilt me hardhandig overeind en begint aan mijn shirt te trekken. ‘Hé, laat dat.’ Ik probeer haar van me af te duwen, maar het lukt niet. Na een korte worsteling scheurt het shirt kapot. Er komt een zweetlucht onderuit. Ze deinst terug en knijpt haar neus dicht. ‘Gatverdamme, je stinkt als je voorvaderen.’ Vervolgens word ik aan mijn arm in mijn onderhemd over de gang gesleurd op weg naar de badkamer.
Pas als zij vindt dat ik goed ruik, mag ik de tobbe uit. Ik krijg een handdoek om mijn lichaam te bedekken, mijn kleren krijg ik niet terug. Een slimme zet om ervoor te zorgen dat ik die lelijke jurk aandoe, dus heb ik me overgegeven en sta ik niet veel later voor de spiegel in andermans jurk. Het korset is nog goed zichtbaar. ‘Zo kan ik toch geen gasten begroeten.’ Ik probeer naïef te blijven en niet te erkennen wat ze met me van plan zijn. Ze trekt het korset nog wat strakker, waardoor het net lijkt alsof ik borsten heb. ‘Zo moet het wel goedkomen,’ lacht ze. ‘De koning is meer gewend, maar ik verwacht dat hij weinig zal klagen. Je hebt een mooi koppie.’ Ik ontvang twee bemoedigende tikken tegen mijn wang.
Wat poeder in het gezicht, een parfum en ik mag mee. Ze brengt me naar een grote, luxe slaapkamer. Er staat een tweepersoons hemelbed met duur linnen. Verder is er een open haard met bank, stoelen en een bad. Aan het plafond hangt een kroonluchter met veertig kaarsen. Ze duwt me naar binnen, maar blijft zelf op de gang. Nog voor ik me om kan draaien hoor ik de deur al in het slot gaan. Het wordt nu toch echt moeilijk om naïef te blijven. Er is geen uitweg zonder sleutel, dus laat ik me op bed vallen. Ik ben overgeleverd aan de smerige fantasie van een oude vent. Een rimpelig lijf dat zijn plooien over het mijne schuift. Zweet druipt ertussenuit, het baadt mij. En elke mogelijkheid te ontsnappen heb ik verpest. Zelfs de cichorie heb ik niet bij me.
‘Stom! Stom! Stom!’ Ik sla mezelf met vlakke handen in het gezicht, waardoor ik de deur niet hoor opengaan. ‘Wat zonde van dat mooie gezicht.’ Een diepe, zware stem. Hij doet me denken aan Graman. Zou hij het zijn? Hij is gekomen om me hier weg te halen. Ik schiet overeind en kijk hem aan, al gereed om op hem af te stormen en hem in zijn armen te springen, maar hij is het niet. Een oude man staat tegenover me. Hij komt me bekend voor. ‘Segemar,’ zegt hij terwijl hij door zijn knieën gaat om me te begroeten. De koning! Ik klim uit bed en maak eveneens een buiging: ‘Denne.’
Voorovergebogen vallen me nu alleen zijn ingegroeide teennagels nog op. De houten sandalen onder zijn harige benen afgekleed met een kilt attenderen mij erop dat ik snel met een plan moet komen. Hem zomaar aan de kant duwen is geen optie. Hij heeft menig veldslag op zijn naam. Bovendien, zou het me wel lukken, dan krijg ik een heel leger achter me aan. Het moet onopvallender.
Hij wil me vastpakken, knuffelen. Ik duik in een reflex weg en ren naar de deur. Erkana wil hem net op slot doen als ik hem opentrek. Ze is kwaad en ik moet uitkijken met wat ik zeg. ‘Zou ik een aantal kruiden kunnen krijgen?’ Haar woede lijkt niet te bedaren. ‘Terug!’ dwingt ze me. ‘Voor een lekker bad, zodat ik meneer kan verwennen.’ Ik zeg het expres wat luider in de hoop dat Segemar het hoort, en jawel: ‘Dat is nog eens een goed idee.’ Erkana knijpt haar ogen samen. ‘Er zijn geen kruiden,’ bijt ze.
‘Ik zag Emond vanmiddag met een mand kruiden de tempel binnen lopen.’ ‘En hoe weet ik welke kruiden ik moet hebben? Volgens mij is het beter een bad zonder kruiden te nemen en daarna lekker samen te bed te gaan.’ ‘Breng de hele mand maar. Misschien zitten er wel kruiden bij om een stimulerende thee te maken.’ Ik knipoog naar de koning. ‘Haal die mand,’ stelt hij opgewonden. Ze drukt haar vinger in mijn borst. ‘Ik haal die mand voor je, maar denk eraan dat ik twee wachters laat komen. Een verkeerde beweging en je hangt naast je moeder in de schavotten.’
Nu moet ik proberen de inmiddels naakte koning, hij heeft zich in al zijn enthousiasme van zijn kleren ontdaan, zien te bedaren. Hij denkt er anders over en wil me weer omarmen. Ik duw hem van me af. ‘U wil toch ook niet dat de avond voorbij is voor u uw bad heeft genomen.’ Zijn dikke buik drukt tegen het korset. ‘Vertel me in de tussentijd maar eens hoe u uw laatste zege op de Ever hebt behaald.’
‘Aaah, de oorlog.’ Hij zet zijn handen in de zij en loopt met geheven hoofd door de kamer. ‘Ze hebben geen schijn van kans. We winnen het afgelopen jaar iedere veldslag met meer en meer gemak.’ Ik zorg er intussen voor dat het vuur onder het bad gaat branden, water zit er al in. ‘Waarom blijven ze dan aanvallen? Dit lijkt me een verloren zaak voor ze.’ ‘Ha ha, de sukkels. Ze hebben al meerdere malen geprobeerd vrede te sluiten. Ik laat dat niet toe. Het volk eet uit mijn hand. De angst van de oorlog doet ons goed. Meer aanslagen. Meer terreur. En het volk verenigd.’ Hij heeft zijn vuist gebald voor zich. ‘Zo dien je een land te leiden, jonge dame. En kom nu maar eens deze kant op. Tijd om me te verwennen.’ Praten over de oorlog windt hem blijkbaar op. Ik had gedacht dat het vechten en moorden juist demotiverend zouden werken.
Gelukkig komt op dat moment Erkana binnen met de mand kruiden. Ze zegt niets, geeft me alleen een vuile blik en verlaat de kamer weer. Segemar lijkt haar niet eens opgemerkt te hebben en brengt zijn harige lijf mijn kant op. ‘Nee, nee, nee… ik prepareer eerst een lekker bad.’ Ik houd de mand tussen ons in. Hij gaat ongeduldig op het bed liggen.
Allereerst vul ik het bad met lavendel. Simpelweg voor de lekkere geur. Het bad kleurt groen. ‘Aan de kleur kun je globaal zien wat voor effect het gaat hebben,’ weet ik nog. Groen is de kleur van rust en vrede, zeer toepasselijk voor een lekker geurend bad. Vervolgens neem ik klimop. Het blad zorgt voor het voelen van droefenis. Meestal wordt een kleine dosis gebruikt om mensen te helpen met het verwerken van verdriet. De plant helpt je je ellende herinneren en voelen. Ik gooi alle klimop in het bad. Als het zwart kleurt, de kleur van somberheid en rouw, is het genoeg.
‘Uw bad is gereed.’ Zonder naar de waarschuwende kleur te kijken duikt hij erin, de ongeduld. Intussen draai ik een van de potten water open. Ik maak een drankje bamboe en tijm. Twee kruiden die staan voor kracht. Bamboe geeft daarnaast een snelle genezing en tijm schenkt moed. ‘Waar blijft u? Ik voel me eenzaam.’ Het bad begint te werken. ‘Moment, ik werk aan een pepmiddel.’ Het drankje wordt vuurrood, de kleur van energie of van de strijd. Het is perfect.
Niet veel later begint de koning te huilen. Hij jammert en piept. Het houdt niet meer op, in tegendeel, het wordt steeds erger. Zijn verdriet zo intens dat hij er bijna van moet overgeven. Hij is in alle staten, maar niet meer in staat me achterna te komen. Tijd om te gaan. Ik drink de rode drank in een keer op. Mijn hele lijf brandt weer van binnen. De spieren in mijn armen en benen beginnen te tintelen. Ze zwellen op. Ik voel me energiek, ongeremd, alsof ik de hele wereld aankan.
Ik pak de mand, kijk nog een keer naar de snotterende koning en vertrek. Met een vinger druk ik de deur open, het slot springt kapot. Aan de andere kant staan de twee bewakers die Erkana daar heeft gestationeerd. Bij het openbreken draaien ze zich mijn kant op. Ik maak gebruik van hun verbazing door ze beide knock-out te slaan. Ze hebben niet eens de kans gekregen hun wapens te trekken. Segemars gejammer galmt door de tempelgangen, dus ren ik zo snel ik kan naar mijn slaapvertrek. De cichorei zal me helpen ontsnappen. De spieren zitten in de weg, waardoor het lopen niet erg snel gaat. Ze gebruiken zoveel energie dat ik het niet op kan brengen te rennen. Ik heb er te veel kruiden ingedaan. Gelukkig is de drank na een halve minuut uitgewerkt.

Ik haal de bladeren van het twijgje en verscheur ze tot kleine snippers die kunnen zweven in de lucht. Het takje gebruik ik in combinatie met venus-vliegenvanger om een drankje te brouwen. Het kleurt geel, de kleur van bedrog. Ik hoor Emond schreeuwen, hij heeft de koning gevonden, gevolgd door het gekletter van het wapentuig van een groep soldaten. Ze komen deze kant op.
Geen tijd te verliezen. Als ze me pakken eindig ik gegarandeerd in een van de martelkamers. Ik gooi het versnipperd blad omhoog, een zucht wind grijpt het en voert het mee door de gangen. Ik draai de pot gele drank dicht en volg de windvlaag. De mand kruiden laat ik achter; de pot gaat mee.
Rechtdoor langs de badkamer tot aan een splitsing. De bladeren gaan rechtdoor, maar ik hoor gekletter komen van links. Ik houd stil en gluur om de hoek de gang in waar ik soldaten zie lopen. Ze komen regelrecht mijn kant op. De windvlaag gaat verderop in de gang een trappenhuis in. Te lang wachten en ik ben mijn ontsnappingsroute kwijt, dus sprint ik naar de trappen.
Een soldaat ziet me voorbij sprinten. ‘Daar is ze!’ Het gedisciplineerde marcheren is veranderd in een chaotische sprint. ‘Wie haar pakt, wordt rijkelijk beloond!’ hoor ik Emond roepen. Ik duik het trappengat in. De snippers zijn nergens te bekennen dus gok ik erop dat ze naar beneden zijn gegaan. Ik volg de trap naar de begane grond, waar ik het cichoreiblad terugvind. Het voert me door een lange, brede gang naar de gebedshal van de tempel. De uitgang is niet ver meer.
Net voor ik de hal betreed, ga ik op mijn hurken tegen de muur zitten. Aan de ene zijde staat het altaar, helemaal aan de andere kant de entree. Tientallen soldaten houden zich op in de hal en nog eens zoveel bevinden zich aan de buitenzijde van de tempel. De snippers suizen door de entree naar buiten. Er is geen andere weg. Achter me komt Emond de trap af gelopen met zijn soldaten achter hem. ‘Daar zit ze!’ roept er een. Hij wijst naar me. Ook in de hal hebben ze me nu opgemerkt. Ze sluiten me van twee kanten in.
In een beweging draai ik de dop van het potje en zet ik de rand aan mijn lippen. Ik drink het leeg en zet de pot weer op de grond. Mijn handen en armen worden eerst doorzichtig en verdwijnen daarna in zijn geheel. Ik gooi mijn kleren van mijn lijf, waarna niemand mij nog ziet. Ik houd mijn adem in en loop op mijn tenen weg van de stapel kleren, als ik ren zullen ze mijn voetstappen opmerken. ‘Ze is weg!’ wordt er geroepen. ‘Waar is ze gebleven?!’ De soldaten staan perplex.
Ik sluip langs de muur naar de entree. De soldaten gooien alle banken door de tempel in de verwachting dat ik ergens onder ben gekropen. Een van de banken klapt achter me tegen de muur kapot. Als ik bijna bij de ingang ben, rent Emond de hal binnen. ‘Houd daarmee op! Ze zit niet onder de banken! De heks is onzichtbaar. Sluit de poort!!’ Er staat niemand bij de ingang om meteen op zijn bevel in te gaan, echter komen alle soldaten nu mijn kant op gerend. Ik ga staan en ren zo hard ik kan naar buiten. ‘Ik hoor haar!’ roept een soldaat. ‘Ze loopt hier!’ roept een ander. Ze krijgen me net niet te pakken en nog voor de poort gesloten is, ben ik buiten.

Mensen zien zand opstuiven en horen voetstappen als ik door het dorp ren. Soms duw ik iemand aan de kant. Het meest opvallende echter is het bataljon dat me achtervolgt. De koning is weer bij zinnen en leidt zijn leger nu zelf. Als ik bij mijn huis aankom, staat moeder al in tranen voor de deur. Ze weet dat de soldaten voor ons komen. Ze hoort mijn voetstappen en opent haar armen. Ik spring er middenin. Zonder dat ze me ziet, weet ze mijn voorhoofd te zoenen, zoals ze dat al jaren doet om me te troosten. ‘Ga vlug,’ fluistert ze. ‘Weg van hier. Neem de pas van de Aardtrap naar de bossen van de Ever.’
Ik word weer langzaam zichtbaar. Eerst mijn handen, voeten en gezicht. ‘Ga mee, moeder. We nemen Graman mee en vluchten samen.’ Ze duwt me van haar af en schudt haar hoofd. ‘Jij moet gaan. We maken samen geen kans.’ Ze trekt haar trui over mijn kop die tot over mijn knieën mijn lichaam bedekt. ‘Ik zal ze tegenhouden.’ Ze wijst naar de naderende troepen, er zitten ruiters bij. ‘Het is mijn verantwoordelijkheid dat je hierin verzeild bent geraakt.’ ‘Het hoeft niet, Graman kan ons helpen.’ Ze schudt wederom met haar hoofd. ‘Ga nu!’ De ruiters komen dichterbij.
Ik ren over het pad langs de rivier. Achter me hoor ik de ruiters stoppen. Ze grijpen mijn moeder, die zich kranig weert. Ze probeert zo lang mogelijk te blijven vechten om mij tijd te gunnen. Voor Gramans huis splitst het pad richting de Aardtrap. Bij de voordeur groeit cyclaam, die er gister nog niet stond. De bloem die helpt om afscheid te nemen, groeit daar waar gerouwd wordt. Nu begrijp ik moeders schudden pas. Ik pluk en eet het kruid. Ze verzacht de pijn: ik moet alleen verder.
Zijn huis verdwijnt aan mijn zicht als ik de pas betreed. De soldaten zijn me gevolgd en hebben de weg terug versperd. Aan de andere kant van de Aardtrap is het donkere woud, de Everbossen. Het peloton marcheert mijn kant op. Ze halen me langzaam in. De koning en Emond voorop. ‘Je kunt nergens naartoe,’ roept Segemar. ‘Je denkt toch niet dat de Ever je zullen toelaten. Je bent een landverrader. Kom nou maar terug.’ Ik hoor iets kraken boven me. ‘Ik beloof je, dat we je niets zullen doen.’
Ik kijk omhoog, de volle maan schijnt in mijn ogen. ‘Bovendien heb ik nog iets tegoed van je!’ Nu kraakt het weer. Een grote steen van boven de berg rolt naar beneden en valt in de pas. Het is alsof iemand hem naar beneden heeft geduwd. Hij valt vlak voor de voeten van de koning. ‘Ha!’ roept hij. ‘We krijgen je wel te pakken.’ Hij loopt om de steen. Op dat moment volgen meerdere stenen. Ze vullen de hele breedte van de pas totdat het leger is geblokkeerd. ‘Ik krijg je nog wel!’ roept Segemar. ‘Zeg maar gedag tegen je moeder!’ roept Emond hem na. ‘De Vrouwe weet je te vinden!’ Op dat moment komen er nog meer stenen naar beneden. Het leger keert om en vlucht. De maan verlicht mijn pad dat verdwijnt tussen de bomen van mijn vader.

-EINDE-