Het glas schuin en de fles er haaks boven, zodat hij de glasrand net niet raakt. Het bier dat eruit stroomt is donker. In het midden van de stroom kleurt het goud door de lamp boven me. Als het de bodem van mijn glas raakt, ontstaat er een sneeuwwitte draaikolk. Het maakt niet uit hoe schuin ik het glas houd of hoe langzaam ik schenk, het hele glas vult zich met schuim. Als het bijna vol is, probeer ik te stoppen met schenken. Het lukt niet. Alsof ik geen controle meer heb over mijn handen. Mijn lichaam dwingt me te blijven schenken. Het schuim loopt over de rand en druipt via mijn hand op de salontafel. Er ontstaat een grote plas die op zijn beurt in een brede stroom de rand van de tafel zoekt. Pas als het hele flesje leeg is, kan ik mijn armen weer bewegen.
‘Gadverdamme,’ vloek ik als ik naar de keuken loop om een doek te halen. Nora zal me een tafel vol bier niet in dank afnemen. Ik lik mijn hand schoon om te proeven of het tafereel de moeite waard is. Zoet met een vleugje zout. Het laatste zal mijn huid zijn. Met de vaatdoek in aanslag kom ik teruggelopen en zie ik het schuim op de salontafel bewegen. Het stroomt als een rivier van schuim naar de rand van de tafel. Een waterval stort zich op het nieuwe tapijt, ‘Nee!’, waar een klein meer ontstaat. Ik duik op mijn knieën en leg de handdoek op het tapijt. Het meer wordt geabsorbeerd. Hopelijk droogt het nog op tijd voordat mijn vrouw thuiskomt. Laten we hopen dat ook dit bier niet vlekt. De waterval splijt open als de ingang van een tent. Er lijkt een kleine deur achter te zitten.
Op dat moment rinkelt de deurbel, dus loop ik naar de gang om open te doen. Er staat een klein mens voor de deur. Hij is net meer dan een meter groot, heeft eens zo’n brede schouders en een lange, zwarte baard. Hij draagt een blauw-oranje jas, zoals alle bezorgers van PostNL, maar lijkt geen pakketje bij zich te hebben. Ik kijk hem verveeld-indringend aan in de hoop duidelijk te maken dat ik haast heb. ‘Goede avond,’ begint hij, ‘vanmorgen is er per abuis het verkeerde pakketje bij u geleverd.’ Hij lijkt onzeker of op zijn minst onwennig. Misschien is het zijn eerste dag. ‘Ik heb vanmorgen een pakket bier ontvangen, echter bevat dat precies wat ik besteld heb.’ Hoewel ik moet toegeven dat het ietsjes meer schuimt dan ik bij het bestellen had aangenomen. ‘U heeft er toch niet van gedronken?’ Zijn onzekerheid begint me op de zenuwen te werken. Wat hebben ze me gegeven, vergif? Dat hij gewoon zegt wat hij hier komt doen. Het is niet dat ik hem in een kanon stop of iets dergelijks. ‘Nog niet, ik had er wel zojuist één ingeschonken.’ ‘Dan wil ik u vragen er niet van te drinken en het bier mee terug te geven. U zult spoedig een nieuw pakket ontvangen, mijn excuses voor het ongemak.’ ‘Ja, ja… het is al goed. Kom binnen, dan haal ik het even.’
We staan samen bij de salontafel waarop een grote plas bier zichtbaar is die langs de poten over het tapijt vloeit. Niet één bel van het schuim is nog zichtbaar. Ik pak de doek en dep de rest van het bier op. Ik gooi de doordrenkte handdoek op tafel en loop naar de kelder om de rest van het bier te pakken. Het is een handzaam kistje dat ik de keldertrap op til. De dwerg staat nog in de woonkamer te wachten als ik hem de kist in zijn armen druk. ‘Alles wat ik heb.’ ‘Mooi. Wat er in het glas zit niet opdrinken, dan krijg je van ons nieuw bier opgestuurd.’ ‘Is het vergiftigd ofzo?’ ‘Nee, nee, ik geloof dat het iets met de smaak te maken heeft.’ Nieuwsgierig geworden pak ik het glas van de tafel en neem een slok. De koerier gooit de kist voor zich neer en springt op me af: ‘NEE!’ Ik stap opzij zodat hij tegen de bank aan valt. ‘Maak je maar niet druk, zo smerig is het nou ook weer niet.’ Ik drink het glas leeg.
De dwerg laat de kist in de woonkamer staan en loopt richting de voordeur. Ik ga hem achterna. ‘Vergeet je niet iets?’ vraag ik hem. Hij draait zich pas om als hij buiten is. ‘Nee,’ zegt hij, ‘ik heb me vergist.’ Hij graait in de binnenzak van zijn jas. ‘Ik kom niets innemen, ik kom u een tweede pakketje bezorgen.’ Hij biedt een rol perkament aan. Waar die man het over heeft weet ik niet, maar om ervoor te zorgen dat hij snel verdwijnt, neem ik het aan. ‘Tot ziens.’ Hij kijkt me nog een keer goed aan en loopt vervolgens naar zijn bus. Vreemde vent.
Ik pak een fles bier uit het kistje dat dankzij de dwerg midden in mijn woonkamer staat en schenk het glas opnieuw vol. Er is absoluut niets mis met de smaak. Wat een oplichterij. Ditmaal schuimt het niet overdreven. Ik ga op de bank zitten en breek het zegel van het perkament. Ik rol het open. Een sleutel valt er tussenuit. Ik leg het papier op tafel en gebruik mijn bierglas en de sleutel om het opengerold te houden. Het bevat twee afbeeldingen met wat getallen eronder. Onderaan de pagina staat een handgeschreven tekst: Wacht tot de morgen en blijf van het bier.
Wat een onzin. Ik til het bierglas van tafel, waardoor het perkament oprolt. Mijn andere hand haal ik door de baard op mijn jeukende kin. Die is wel erg snel gegroeid, ik heb me vanmorgen nog geschoren. Ik kijk in de reflectie van de televisie en zie een twee centimeter lange, zwarte baard van oor tot oor. Zelfs mijn wenkbrauwen lijken hariger. Nog maar eens gaan scheren dan, maar eerst een flinke teug bier, die zwaarder valt dan ik verwacht. Ik laat me in de bank zakken. Ik leg mijn hoofd te rusten op de rugleuning. Het alcoholpercentage moet wel erg hoog zijn, de kamer begint al na één slok te draaien. Ik sluit mijn ogen, in de hoop niet al te misselijk te worden.
Een ware achtbaan, mijn hoofd draait steeds sneller en sneller. Ik houd mijn hand voor mijn mond uit angst dat ik moet overgeven. Ik voel mijn baard tussen mijn vingers door groeien. De woorden uit het perkament echoën in mijn oren in hetzelfde ritme dat de kamer draait en de baard groeit. Ik krijg het heet en ontbloot mijn bovenlichaam door mijn T-shirt uit te trekken. Iemand gooit de voordeur open. Is het Nora? Ik voel een draaikolk van bier in mijn maag het klotst en schuimt. Ik ga voorover tussen mijn benen hangen, mijn ogen nog steeds dicht, en laat een enorme boer. Even dacht ik alles uit te kotsen. Het draaien is gestopt en het laatste wat ik hoor is de openslaande deur van de woonkamer.

Stromend water. De vloer waar ik me op bevind is koud. Een koele wind suist langs mijn lichaam. Ik open mijn ogen en zie als eerst het rotsachtige plafond. Er hangen afgehakte stalactieten. Alsof iemand ondersteboven met de grasmaaier het kalkgesteente heeft getrimd. Alleen de kleine druipers zijn niet gekortwiekt. Eén ervan hangt recht boven me en laat een druppel vallen, die in mijn neusgat belandt. De druppel glijdt naar binnen, tegen mijn huig. Op dat moment schiet ik overeind; ik hoest en proest, alsof ik mezelf van de verdrinkingsdood heb gered. Als ik besef wat er gebeurd is, kijk ik schaamtevol om me heen. Gelukkig is er niemand die de heroïsche redding heeft gezien.
Het eerste wat ik opmerk, is dat ik volkomen naakt ben, hoewel ik me niet kan herinneren dat ik mijn broek heb uitgetrokken. Naast me liggen kleren, die ik niet herken, maar waar ik zonder twijfel inschiet. Ook al lijken ze op het eerste oog wat klein, ze passen precies. Pas dan bekijk ik mijn omgeving. Ik zit naast een ondergrondse rivier. Een anderhalve meter brede stroom waar ik hooguit tot mijn knieën in verdwijn. De stroom voert door een lange gang. Boven de rivier steken stalen pinnen uit de muur. Ze hangen op dezelfde hoogte op enkele meters afstand van elkaar. Langs de stroom loopt een met marmer geplaveide weg. Om de twintig meter hangt een fakkel. De meeste fakkels branden; de twee dichtstbijzijnde zijn gedoofd. Mijn hoofd verkrampt als ik me probeer te herinneren hoe ik hier terecht ben gekomen. Dus kruip ik naar de rivier om wat te drinken en mijn gezicht te wassen. Ik ga boven het water hangen.
De PostNL-bezorger kijkt me aan. Hij lijkt geschrokken, zijn ogen wijd opengesperd. Hij biedt me een pakketje aan. Het bier dat ik besteld heb. De bezorger kijkt achter zich naar de bus. Er zit niemand in. Zijn blik is angstig. Ik neem het bier aan, bedank hem en sluit vlug de deur. De enge kleine man, die later het pakketje weer in kwam nemen, maar het toch liet staan. Ik zie hem in het water. Hij zit aan zijn baard om te voelen of die er wel echt is. Hij is echt. Ik heb een baard. Mijn wenkbrauwen zijn twee keer zo groot als anders en ik heb een veel dikkere kop. Ik gooi wat water in mijn gezicht in de hoop dat de reflectie verdwijnt.
Na een vierde poging laat ik me weer achterovervallen om de stalactieten te bewonderen. Het bier dat ik niet mocht drinken, de dwerg die op me af sprong om me tegen te houden. De overvloed aan schuim. De waterval van mijn salontafel. En nu lig ik in een pas gemaaide druipsteengrot met zijn gezicht op en kleren aan. Ik sluit mijn ogen en luister naar de druppels die langs me neervallen. De wind fluit. De fakkel woekert. Dan in de verte hoor ik een geluid dat lijkt op voetstappen. Het echoot door de grot. Ik word wakker en schiet overeind. Geen tijd om af te wachten.
De voetstappen komen van beneden, dus ga ik zo snel ik stil kan rennen naar boven. Het valt niet mee met die korte benen en lompe voeten. Een paar honderd meter klim verder gun ik mezelf wat rust. De achtervolgende voetstappen zijn verdwenen. Ook het aantal fakkels wordt steeds minder. Hele delen van de gang zie ik geen hand voor ogen. Niet dat er hier iets is wat ik zou willen zien. Volgens mij slaap ik gewoon. Dit is een droom. Ik heb te veel bier gedronken en ben op de bank in slaap gevallen. De laatste die ik heb gehoord was immers Nora. Ze zal me niet wakker hebben gekregen en heeft een deken over me heen gelegd.
Ik sjok verder tot ik in de verte vallend water hoor. Geen druipend kalksteen of sukkelend beekje, maar iets wat lijkt op een waterval. Daar zal het water de grot binnenkomen. Mijn weg naar buiten. Ik zet hem op een lopen. Ditmaal zo snel ik kan, maakt niet uit of ik geluid maak. Ik wil zo snel mogelijk de buitenlucht kunnen proeven. Het schuim valt als een waterval op het tapijt. De waterval splijt open als een tent en onthult een piepkleine deur.
Bovenaan de ondergrondse rivier ligt een ondergronds meertje. Het is omringd door een marmeren pad met fakkels aan de zijkant. Ze verlichten de hele ruimte. Vanuit het meer stromen er vijf rivieren naar beneden. Tegenover me valt één brede rivier in het meer. De marmeren paden, met stenen bruggen, lopen door tot achter de waterval. Ook daar brandt een licht. Het zorgt in de hele ruimte voor een schaduwspel van vallend water. De stalen pinnen boven de rivier doorkruisen als klimrekken, waar je als kind onder hing om al slingerend de overkant te bereiken, het meer. Ik volg het pad.
Twee fakkels aan weerszijde van de portiek, eenvoudig in zijn uitvoering. Twee ronde kolommen met een boog uit de rotswand gehouwen met daarbinnen een eenvoudige rechte marmeren deur. Geen versiersels of andere fratsen, maar door het glimmende oppervlak en de lichtreflecties alsnog imposant. Tussen de waterval en de deur staan een zonnewijzer en een planetarium. Er lijkt geen licht op de zonnewijzer te schijnen dus wat het object hier doet, is mij een raadsel. Ik heb geen zin om het uit te zoeken, dus zet direct mijn schouders tegen de deur om te zien of ik hem open kan duwen. Zelfs met een aanloop lukt het me niet.  Dan maar op zoek naar een klim naar boven, tegen de waterval in, zodat ik de rivier naar buiten kan volgen. Tenzij de bron zich in deze grot bevindt. Misschien kan ik beter met de stroom naar beneden gaan, waar ik de voetstappen heb gehoord. Of een van de andere rivieren volgen. Ik doe nog één poging naar boven te klimmen, de wand is te glad, ik kom bij iedere poging nog niet tot een-vierde van de klim.
Uitgeput ga ik tussen zonnewijzer en planeten tegen de deur zitten. Wat zit er aan de andere kant en hoe krijg ik die deur open? Misschien leidt hij me naar buiten. Ik bewonder de binnenzijde van de waterval. Meestal krijg je alleen de andere kant te zien. Deze kant heeft iets rustgevends, alsof ik onder water zwem. Zelfs het geluid is dof door het geraas van kletterend water. Door het water wordt alles troebel. De hele grot als een droom. Een troebele schim nadert plots de waterval. Een kind slingerend aan het klimrek. Hij komt snel dichterbij. De schim groeit. Dat is geen kind! Ik krabbel omhoog op het moment dat een gorilla door de waterval springt en voor me neerstrijkt. Zonder het water uit zijn ogen te wrijven of zijn vacht een keer droog te schudden stapt hij op me af. Hij pakt me bij mijn baard, springt door de waterval en grijpt zich met één hand vast aan het klimrek. Mijn baard klemt hij tussen zijn achterpoten, waarna hij over het meer slingert. Met mijn voeten in het water bungel ik onder de aap. Door te spartelen, te slaan, te schoppen en te bijten probeer ik los te komen. Boven de rivier laat hij de stalen pijp los. Hij tilt me op en smijt me tegen de muur. De eerste keer open ik mijn ogen nog en probeer ik op te staan. Hij gooit me nog eens.

In de hoek van een uitgehouwen stenen cel met een stalen deur word ik wakker. Het is er te donker om iets te kunnen zien. Het enige licht komt binnen als de schuif in de deur opengaat om eten te brengen. Vanuit mijn veilige hoekje zie ik de hele ruimte, gevuld met dwergen. Ze liggen te slapen. Ik tel er ongeveer dertig, aan de baarden te zien stuk voor stuk man. Een bewaker schuift eten naar binnen. Er loopt niemand op af. Ik zou wel kunnen eten, maar ben bang iemand wakker te maken.
‘Als jij het niet gaat halen, eet ik het op,’ hoor ik een van de mannen zeggen. Ik kijk verbaasd om me heen om te zien wie er wakker is, maar de schuif gaat al dicht, het licht verdwijnt. Iemand tilt het dienblad op en loopt deze kant op. Hij zet het voor me op de grond en fluistert: ‘Je geluksdag, de volgende keer eet ik het zelf.’ Hij verdwijnt weer in het duister.
Ik bekijk het dienblad. Er ligt een broodje rauw vlees en daarnaast staat een fles bier. Ze serveren bier in de gevangenis, wat een luxe, perfect op temperatuur en al voor me opengetrokken. Ik denk geen twee keer na en zet de fles aan mijn mond. In enkele slokken verdwijnt de vloeistof. Vervolgens verzwelg ik het brood in nog geen twee happen. Eten en drinken gaat me in ieder geval beter af in dit lichaam. Ik laat een diepe boer, waar niemand wakker van lijkt te worden, en ik kruip wat dichter tegen de muur aan. Nora die me vanachter vastgrijpt, ze legt haar hoofd op mijn schouders, haar buik en borsten drukken tegen mijn rug. Ze vult me met warmte. Ik ben thuis als ik in slaap val.
De volgende morgen is het vertrouwde gevoel snel verloren. Een gorilla stompt een aantal keer tegen de stalen deur. Hij brult. Ik schrik wakker. De anderen staan al overeind, netjes in een rij, als de deur opengaat. Een medegevangene komt naar me toe. Hij trekt me overeind: ‘Ga in die rij staan!’ Zo te horen dezelfde man als gisteravond. ‘Waar gaan we naartoe?’ vraag ik hem op fluistertoon. ‘We gaan in de rij staan en je volgt.’ Hij heeft geen zin in uitvoerige gesprekken. Een voor een gaan we naar buiten. Bij de deur staan twee gorilla’s met een gouden halsband om hun nek. Eén van de twee gaat voorop, de ander sluit de deur en volgt als laatst.
Ze loodsen ons door enkele gangen, niet veel anders dan de gang waar ik de eerste keer wakker werd, alleen is er hier geen rivier te bekennen. ‘Wat zijn ze met ons van plan?’ vraag ik mijn voedselbrenger nogmaals. ‘Dat zie je vanzelf, maar houd je mond. Als een van die apen ons hoort, zijn we de klos.’ Bij het horen van het woord ‘apen’ stopt de voorste gorilla. Hij draait zich om, gaat op zijn achterpoten staan en brult dan zo luid hij kan terwijl hij met beide handen op zijn borst slaat. Alle gezichten zijn naar beneden geslagen, niemand durft hem aan te kijken. We lopen verder.
Het pad buigt af naar links waar we een lange, smalle brug oversteken. Hij voert ons over een diepe kloof. Er kunnen hooguit twee dwergen naast elkaar lopen, waardoor ik dicht bij de reling loop. Ik kijk erdoor naar beneden en zie dat op de bodem van de kloof een brede rivier loopt. Er varen schepen af en aan. Geladen schepen naar rechts, die zullen de berg verlaten, en lege schepen naar links, die zullen nog geladen moeten worden. Of zou het andersom zijn en komen de volgeladen schepen eten en drinken brengen? Hoe het ook zit, die rivier kan me naar buiten leiden.
Voorbij het ravijn buigt het pad naar rechts. De linkerkant van het pad wordt afgeschermd door een hek, vastgemaakt aan de onder- en bovenzijde van de tunnel. Aan de andere kant van het hek loopt een brede weg, eveneens geplaveid met marmertegels. Er rijdt zo nu en dan een kar voorbij, getrokken door een ezel, met een dwerg aan de teugels. Hij kijkt niet op of om.
Een eindje verder, als het hek wederom is verdwenen, en de weg enkele kilometers achter ons ligt, komen we bij een werkplaats. Een stalen deur door en we staan in een grote, open ruimte met in het midden een gouden standbeeld. Het lijkt op een gigantische komodovaraan. Geen drie meter lang zoals normaal, maar een vijftien meter lang beest met een reusachtig hoofd. In de bek is ruimte genoeg om twee dwergen te huisvesten. De kop van het beest ligt met gesloten ogen op de grond. Als een hond die uit verveling voor de deur ligt te wachten totdat zijn baas het laat genoeg vindt hem uit te laten. Zijn poten goed zichtbaar en zijn tenen gespreid.
De achterste aap blijft buiten de deur staan wachten. De voorste geleidt ons naar een tafel in de hoek met werkmaterieel. Ik wacht af en zie hoe de dwergen zich bewapenen met zagen, vijlen en emmers. Ze lopen, nog altijd met hun hoofd neergeslagen, op het beeld af. Ze beginnen zijn nagels te vijlen. Voor, achter, links en rechts. Bij de taaiere stukken komt de zaag van pas. De brokken en het goudpoeder worden opgevangen in de emmers. De gorilla komt voor me staan. Hij wijst naar de tafel waar nog een vijl ligt. Ik pak het op en voeg me bij mijn collega’s die de poot rechtsachter vijlen.
De aap loopt rondjes om het reptiel. Als hij bij de linker voorpoot is, kunnen wij kort overleggen. Geen van allen kunnen ze me duidelijk maken hoe ze hier terecht zijn gekomen. Het enige wat ze kunnen herinneren is het drinken van een fles bier. Sindsdien is iedere dag hetzelfde. In halve zinnen en met veel pauzes, de aap blijft rondjes lopen, wordt mij duidelijk gemaakt dat al deze gevangenen dag in dag uit de nagels van de varaan vijlen. Op de een of andere manier zijn die de dag erna weer terug gegroeid. Het goud wordt opgeslagen en vervoerd. Straks komt er een kar die het goud meeneemt. Waarnaartoe weet niemand. Een beter plan dan van de brug afspringen en hopen niet op een boot terecht te komen of door de klap van het water op slag dood te zijn. Bovendien heb ik hoogtevrees, dus ik betwijfel of ik de stap zou kunnen zetten.
Nadat alle nagels mooi bijgewerkt zijn, komt de achterste gorilla binnen met een kist bierflessen. Het personeel gaat aan de tafel zitten en trekt een fles open. Niemand spreekt. Er wordt geduldig gedronken. Ik heb niet zo’n zin in bier, maar de dreigende gorilla naast me, hij heeft een hand op mijn schouder gelegd, overtuigt me met de anderen mee te drinken. Na de korte onderbreking gaan de dwergen weer aan het werk. Ditmaal met het fijnmaken van de grotere brokken. Al vijlend op een krukje voel ik het bier in werking treden. Ik krijg het warm. Al dit goud voor Nora. Ik haal mijn handen door het fijne poeder. Zo zacht als ik over haar lichaam streel. Ik overlaad haar met al dit goud. Ze hoeft nooit meer te werken en kan precies doen waar ze zin in heeft.
De gorilla grijpt me bij mijn jas en sleept me mee naar de kar die zojuist voor komt rijden. Hij zet me op de bijrijdersstoel naast een dwerg die meteen zijn hand uitsteekt en zich voorstelt. ‘Baerim.’ ‘Paul.’ Op de kar staan lege tonnen die meteen gevuld worden met goud door de andere dwergen. ‘Nieuw hier?’ vraagt de chauffeur, die als de tonnen gevuld zijn gas geeft door de ezel voor de kar een wortel voor te spiegelen. ‘De meeste slaven zijn hun naam allang vergeten, als ze koerierdienst krijgen. Hoe lang zit je hier al?’ ‘Sinds gisteren.’ Hij knikt alsof hij iets begrepen heeft waarvan ik niet eens weet dat ik het uitgelegd heb. We rijden de werkplaats af. Ik kijk het gulden reptiel diep in zijn ogen. Ik zou gezworen hebben dat ze zojuist gesloten waren.

De weg, een lange spiraal naar beneden, is enkele kilometerslang. Het lijkt op een verticale hoofdweg waar op verschillende niveaus wegen de berg in voeren. Baerim legt uit dat het bier ons transformeert tot dwergen. Een paar maanden geleden is de keizer van de berg begonnen met de productie. Hij heeft enkele gulden reptielen gevangengenomen en is toen het goud gaan vermalen tot poeder om te verwerken in het bier. Langzaam maar zeker zorgt het bier ervoor dat de slaaf vergeet wie hij oorspronkelijk was. Door het aangepaste lichaam is er geen herkenning waardoor oude herinneringen getriggerd kunnen worden. Als de slaaf lang genoeg gevangen gehouden is, wordt deze een van ons. Meestal worden ze overgeplaatst naar het leger, anderen gaan de koerierdienst in. ‘Hoe weet jij dan dat je een echte dwerg bent?’ Hij haalt een perkamentrol uit zijn binnenzak. Er staat een tekening van zijn gezicht op met zijn naam, andere persoonsgegevens en een stempel van de keizer. Iedere dwerg die wordt geboren krijgt zo’n document. Het verklaart dat je echt bent. ‘Bovendien ben jij gebrandmerkt op je schouder.’ Ik trek mijn shirt omhoog en zie een rode afdruk van een reptiel. ‘Het symbool van onze bierindustrie.’
Naarmate we dieper de berg in rijden, wordt de weg steeds breder. Hij begon als eenbaansweg, maar inmiddels rijden er vier karren langs elkaar in iedere richting. De spiraal wordt dan ook steeds breder. In plaats van fakkels loopt er een brandende geul in de muren. Vol trots vertelt Baerim dat zijn oudoom die vorm van verlichting, er stroomt olie door de geul, heeft uitgevonden. ‘Op een dag, tijdens een van de mijnwerkzaamheden, liep de onderste verdieping van de mijnschacht vol met zwart water. Niemand die dat zag aankomen. De schacht werd dichtgegooid, omdat niemand dacht dat we iets met het spul konden. Totdat ome Eolum ontdekte dat het brandbaar was. Nu wordt driekwart van deze berg door de olie verlicht.’
We slaan een andere weg in en steken de rivier over, die ik eerder van de brug heb gezien. Ik kijk naar boven, maar zie door de duisternis slechts enkele fakkels oplichten, geen brug. Er varen nog altijd veel schepen. Aan de overzijde slaan we de weg in die parallel loopt aan de oever van de rivier. ‘Stroomt deze rivier naar buiten?’ Hij wijst naar de oever. Die ligt vol met kleine reptielen. ‘Dat zijn de kinderen van het gulden reptiel. Als ze groot worden, verstenen ze. Na honderd jaar versteend te zijn, verandert het gesteente in goud. Niemand weet hoe of waarom, het enige waar we achter zijn gekomen is dat de nagels door blijven groeien.’ Geen antwoord op mijn vraag, dus probeer ik door over de rand van de kar te gaan hangen met de rivier mee te kijken in de hoop dat ik zonlicht zie. ‘Die reptielen leven van vlees. Hier uitstappen wordt niet aanbevolen.’ Hij wijst naar een uithangbord waarop een dwerg afgebeeld is die wordt aangevallen door een reptiel. ‘Gisteren nog is er een dwerg opgevreten. Hij scheen naakt door de tunnels te rennen. Men vermoedt dat hij door een van de gorilla’s achterna gezeten werd. Laat dat meteen een waarschuwing zijn: ’s nachts regeren de apen aan deze kant van de rivier.’ Hij slaat met een krant tegen mijn borst alsof hij zeggen wil dat daar het verhaal in staat. ‘Hier,’ zegt hij, ‘heb je wat te lezen voor later. Nu je hier toch bent, kun je evengoed wat over ons dwergen leren.’
We passeren de haven waar enkele schepen zijn aangemeerd. Een van de schepen is zojuist zijn vracht aan het lossen. Grote kooien met gorilla’s worden uitgeladen door lange mannen met puntige oren. Waarschijnlijk bevriend geraakt met deze dwergen door een wederzijdse fascinatie voor haarstijlen. Bij deze mannen ligt de nadruk alleen wat minder op baardgroei. De apen wordt een gouden halsband omgedaan, waarna ze in grote kooikarren worden geplaatst om hen vervolgens naar hun nieuwe werkgevers te rijden. Ik voel aan de korsten in mijn gezicht.
Er staat een groot hek om de haven dat ook hier de volledige hoogte van de ondergrondse ruimte inneemt. Er is slechts één ingang die wordt bewaakt door enkele gepantserde dwergsoldaten. ‘Mocht het je lukken de haven binnen te komen, op een boot te belanden en de berg uit te varen, dan eindig je eenzaam en alleen in een wereld geregeerd door die puntoren. Onze slaven hebben een koninklijk bestaan vergeleken met een dwerg in het Elfenrijk. Het beste wat je kan overkomen is van de boot ontsnappen en opgevreten worden door de wilde beesten in de jungle rond de berg.’
De puntoren, zoals Baerim de elfen het liefste noemt, mogen sinds een paar maanden hun handel hier verkopen. Ongeveer rond dezelfde tijd dat de keizer begon met bier brouwen. ‘Dat goud alleen kan nooit voor zoveel slaven zorgen. Die puntoren met hun magisch gebrabbel. Ze zijn ergens op uit, maar ik kan mijn vinger er niet goed op leggen wat dat dan is.’ Zijn hele humeur is omgeslagen sinds hij de elfen gezien heeft. Hij blijft mopperen over hoe dit handelsverdrag de ondergang van de dwerg gaat worden.
Een paar honderd meter verder slaan we een smalle weg in. Er valt een druppel in mijn gezicht. De weg maakt een flauwe bocht, totdat deze langs een rivier komt te liggen. Aan het plafond hangen afgehakte stalactieten, aan de muren boven de weg fakkels en boven het water steken stalen pijpen uit de wand. ‘Help me onthouden dat we die fakkels aan laten steken als we gearriveerd zijn,’ merkt Baerim op als we twee gedoofde fakkels passeren. De weg eindigt bij een groot binnenmeer met waterval. ‘Achter die waterval staat het koeriersportaal.’ Hij praat verder, maar ik hoor niet meer wat hij zegt. Ik knik op de momenten dat hij me vragend aankijkt, terwijl ik de schim op me af zie komen. Een herinnering aan de gorilla die door de waterval heen sprong; een van de nachtwakers waar Baerim het zojuist over had. Ik weet zeker dat ik toen nog geen brandmerk had.
We volgen het pad naar rechts langs een andere rivier, dezelfde weg als waar de gorilla me tegen de muur aan smeet, tot aan de ingang van een fabriekshal. ‘Hier wordt het bier gebrouwen en opgeslagen.’ Een bewaker houdt ons tegen en vraagt wat we komen doen. ‘Ik kom het goud leveren en deze jongen meldt zich aan voor de koerierdienst.’ In een reflex kijk ik naar mijn chauffeur. Als de bewaker de poort opent, vraag ik Baerim wat hij van plan is. ‘Rustig nou maar, gewoon doen wat we zojuist besproken hebben.’ Hij slaat me bemoedigend op mijn schouder en prikt vervolgens de ezel met een puntige stok, zodat die naar binnen rijdt. Baerim zet me af voor het koeriershotel, een veelbelovende naam voor een vervallen herberg, waar ik een bed van stro ter beschikking gesteld krijg in een kamer die ik deel met vijf anderen. ‘Denk eraan,’ waarschuwt hij voor zijn vertrek, ‘deze slaven weten niet beter dan dat ze dwerg zijn.’

De volgende morgen worden we vroeg gewekt. Tijd voor de eerste dag koerierdienst. Zoals gebruikelijk in deze berg bestaat het ontbijt uit een fles bier. Ik laat het mijne staan voor vandaag. Wederom in een lange rij, ditmaal geleid door een dwerg, lopen we naar het magazijn. Daar krijgt ieder van ons een kistje bier en een rol perkament met daarop een zonnewijzer en een zonnestelsel. Onder iedere afbeelding staat een getallenreeks. De eerste lijkt op een datum, de tweede op coördinaten. Ik stop de rol in mijn binnenzak, waar nog een rol zit. Ik haal hem uit de zak en open hem. Er valt een sleutel uit. Ik vang hem. Het is de rol die ik gistermiddag van de PostNL-dwerg heb gekregen. Hoe komt die in deze zak terecht? Het is tijd om te vertrekken. Ik stop het perkament weg en volg de groep.
We lopen dezelfde weg naar buiten als waar Baerim en ik door naar binnen zijn gekomen, tot aan het meer bij de waterval. Daar leidt de dwerg ons naar het koeriersportaal. Een voor een overhandigen de slaven hem de perkamentrol. De dwerg stelt de datum en coördinaten in op de zonnewijzer en het planetarium. Als de tijd en plaats correct zijn ingesteld, draait de deur langzaam open. De koerier krijgt zijn perkamentrol terug, stapt door de deur en die sluit vervolgens weer achter hem. De volgende koerier stapt naar voren.
Ik overpeins de betekenis van twee dezelfde perkamenten. Zelf de getallen zijn identiek aan elkaar, concludeer ik als ik ze naast elkaar openvouw. Het enige verschil is het ontbreken van de hand-geschreven tekst op de rol die ik zojuist van de voorman heb gekregen. ‘Volgende!… Volgende!!’ Ik overhandig de dwerg het onbeschreven perkament. Hij begint de gegevens in te stellen. De deur draait open. Hij drukt het papier in mijn hand en gebaart dat ik moet gaan. Ik til de kist op en loop door de opening.

Ik stap uit de zijdeur van een bestelwagen. Hij staat voor mijn huis. De kale plak grind als voortuin, het onkruid tussen de voegen van het pad naar de voordeur. Dezelfde planten als voor ik vertrok. Ik loop naar de deur en zie ons naamplaatje: Paul en Nora van de Vlucht. Ik zet de kist op de grond en veeg mijn tranen uit mijn ogen met de mouw van de PostNL-jas. Ik bel aan.
‘Goedemorgen.’ Ik doe open. Mijn glad geschoren gezicht, mijn stekelige kapsel… Hoe ben ik hier terechtgekomen? Die deur heeft me thuisgebracht. Ik kijk achter me, naar de bestelauto. De zijdeur staat nog open. Als ik niet instap blijf ik dan hier? ‘Is dat pakket voor mij?’ Ik til het op en bied het aan. ‘Mijn excuses.’ De deur wordt dichtgeslagen net op het moment dat ik naar Nora wil vragen. Zou ze thuis zijn? Nee, ze is werken. Ik besluit niet terug te gaan naar de bestelbus, maar loop de straat in richting Nora’s werk.
Een tiental meters van de bus verwijderd voel ik opeens een aantrekkingskracht. Een soort magnetisch veld trekt aan me. Ik probeer verder te lopen maar het is alsof ik tegen een storm in loop, totdat ik geen stap meer verder kom. Mijn voeten laten los van de aarde. De magneet zuigt me terug, de bus in. De zijdeur schuift met een harde klap dicht.

‘Goed, iedereen is er weer. We kunnen vertrekken.’ Ik ben op de grond geworpen achter de waterval. De koeriers staan al netjes in een rij. Ik krabbel overeind en sluit achteraan. ‘Wat is er net gebeurd?’ vraag ik aan de koerier voor me. Hij reageert niet. De rest van de dag sla ik de biertjes weer over en lees ik de krant die Baerim me gegeven heeft.
Er staan veel opiniestukken in over de zin en onzin van het distribueren van bier ten behoeve van goedkope arbeid. Sommige dwergen vinden het goed dat er steeds meer slaven zijn: het leven was immers nooit zo makkelijk. Andere zijn bang dat er weer een opstand zal komen zoals in de eerste maand, ondanks dat vrouwen niet meer worden opgehaald als ze van het bier hebben gedronken. Bij mannen zou het geheugenverlies ook uitgewerkt kunnen raken.
De opstand van de eerste maand, wordt verderop in een korte samenvatting verteld, was een opstand die ontstaan is door de vele vrouwen die tot slaaf werden gemaakt. Vanwege de moederdrang herinneren vrouwen zich vroeg of laat wie hun kinderen zijn. Zelfs bij vrouwen die nog geen kinderen hebben, is deze moederdrang een gevaar. Zij verlangt namelijk altijd naar kinderen van de oorspronkelijk soort. Het is een kwestie van tijd voordat de moeder herinnert wie ze was en daardoor anderen helpt herinneren wie zij waren. Dat is in de eerste maand verkeerd gegaan. Er brak een grote opstand uit, die door het inzetten van gorilla’s tot stilstand is gebracht. Sindsdien patrouilleren zij ’s nachts, slingerend aan de stalen pijpen, het industriegebied aan de westkant van de grote rivier. Iedere dwerg die dan rondloopt, wordt gezien als ontsnapte slaaf.
Die nacht vat ik de slaap niet. Ik lig op bed en bekijk de rollen perkament. Ze zijn identiek aan elkaar op het gedicht na. Ik schrijf de tekst over op de nieuwe rol: het schrijven is identiek. Het is mijn handschrift. Ik besluit uit bed te gaan en sluip de kamer uit. Het hotel wordt niet bewaakt, dus daaruit ontsnappen is eenvoudig. De fabriek ligt stil. Het terrein is verlaten. Ik sluip naar de ingang waar een bewaker voor de gesloten poort ligt te slapen. Ik pak de sleutel uit mijn jaszak. Als het klopt wat ik verwacht, dan past deze op die poort. Als ik de bewaker passeer, zie ik dezelfde sleutel aan zijn sleutelbos aan zijn riem hangen. Een tweede sleutel kan handig zijn, mocht ik mezelf niet kunnen weerhouden. Het is me eerder overkomen.
Als ik achter hem gehurkt ga, hoor ik een bewaker aan de andere kant. ‘Ik ga op huis aan!’ roept hij. De bewaker voor me schrikt wakker, roept: ‘Is goed!’ en zakt meteen daarna weer weg. Verstijfd van angst zit ik eerst een paar minuten stil. Pas als zijn snurken weer overtuigend genoeg is, durf ik de sleutel van zijn bos te halen. Vervolgens loop ik naar de poort. Ik test beide sleutels voor ik de fabriek verlaat. Nu snel naar de deur voordat de apen komen.

‘NEE!’ Ik spring op hem af om het glas uit zijn hand te slaan. Niet nu ik zo ver ben gekomen!  Hij stapt opzij en ik val tegen de bank. Hij drinkt het glas leeg. Ik krabbel overeind. Zijn stoppelbaard is al zichtbaar. De transformatie is begonnen. Het is een kwestie van tijd of hij is een dwerg. Ik laat de kist staan en loop naar de voordeur. Hij komt me achterna. De baard is langzaam in aantocht. Ik kan me niet voorstellen dat ik dat niet gevoeld heb. Ik haal een van de rollen perkament uit mijn binnenzak en overhandig die hem. Hij neemt het aan.
Ik ga in de bus zitten wachten tot ik word weggezogen. Ik heb gefaald. Ik heb precies hetzelfde bereikt als de vorige keer. Hij leest straks de perkamentrol en snapt niet wat hij er mee moet doen. Hij wordt wakker en vergeet hoe hij de deur in moet stellen. Ik moet het opnieuw proberen. Ik ren naar de voordeur en beuk hem met mijn schouder in één keer open. Een dwerg zijn heeft ook zijn voordelen. In de woonkamer zie ik mezelf op de bank liggen, getransformeerd, zonder shirt. Op dat moment voel ik de magneet aan me trekken. Ik vecht me naar de bank en leg de dwerg over mijn schouder. Zijn broek zakt van zijn enkels. Ik wil de sleutel en het perkament van tafel meenemen, maar de magneet wordt te sterk. Ik klem de dwerg goed vast en laat me grijpen.

Achter de waterval vallen we neer. Hij ligt bewusteloos naast me. In de verte hoor ik de gorilla’s deze kant op komen, dus til ik hem op en zet het op een lopen. Richting de haven, uit die richting hoor ik geen apen komen. Eén van hen ziet me wegrennen en komt achter me aan geslingerd. Zo snel ik kan, verdomde kleine benen, ren ik de hoek om langs de rivier naar beneden. In een flauwe bocht halverwege leg ik de naakte dwerg op de grond. Ik doof de twee fakkels bij hem in de buurt, zodat hij niet opvalt in het duister. De slechte ogen van die apen zullen hem niet zien. Ik trek mijn kleren uit en leg ze op een hoop naast hem neer. Dan ren ik verder. Mijn voetstappen echoën door de grot.

Het gulden reptiel.pdf