De houten deuren splijten door de kracht waarmee hij me tegen de kast aan werpt. De man die een redevoering liever uit de weg gaat. Mijns inziens kan hij beter op mijn verzoek ingaan. De klap heeft me even versteend, mijn rug is niet meer wat die geweest is. Ik word te oud voor dit soort ongeremde onredelijkheid. Hij is furieus, spant al zijn spieren aan en maakt zich op om op me af te stormen, alsof ík iets verkeerd heb gezegd. Hij zoekt om zich heen naar een wapen. Hij kiest de lange kandelaar, die eigenlijk alleen bedoeld is voor feestdagen. En of vandaag daartoe gerekend mag worden moet nog blijken.
Ik probeer hem af te leiden, zodat ik wat meer tijd heb om uit de kast te komen. ‘Alstublieft… de kinderen…’ De jongen en de meid staan bovenaan de trap. Zo jong, met nog zoveel mogelijkheden, een heel leven voor de boeg. Niet opgebrand, zoals ik. Ze hebben schrik in hun ogen. Ze twijfelen of ze naar beneden moeten komen om te helpen. Ik benijd hun wilskracht, maar wil niet dat ze nu iets overkomt, dus maak ik een boos gebaar. Het werkt: ze schrikken en rennen de slaapkamer in. De man komt op me af gerend. Hij beukt me met zijn schouder; ik verbrijzel de kast. Zijn hand grijpt mijn keel en tilt me op. Hij houdt me omhoog, zodat hij me goed aan kan kijken, terwijl hij me probeert te stikken. De kandelaar gaat langzaam naar achter om me op het hoofd te slaan.
Een splinter van de kast steekt in mijn achterhoofd. Ik trek hem eruit, hij is bebloed. Het is de mogelijkheid om terug te slaan, waar ik op zat te wachten. Zo snel ik kan teken ik een driehoek op zijn shirt met daarbinnen de symbolen van een bal en een vlam. Hij ziet wat ik aan het doen ben en nog voor ik mijn platte hand op de rune kan slaan, zodat er een vuurbal aan mijn hand kleeft, zwiert hij de kandelaar tegen mijn hoofd. Ik word naar de andere kant van de kamer geslingerd. Mislukt!
Daar lig ik op de grond te denken aan de kinderen die boven, waarschijnlijk in tranen, liggen te schuilen tot deze barbaar verslagen is. Had ik hun kracht maar, de onuitputtelijke energie van een kind. Het bloed druipt over mijn gezicht, in mijn ogen. Het beeld vertroebelt naast de draaiing die optreedt door de duizeling in mijn hoofd. Achter me is de voordeur, die nog steeds openstaat. Het gevecht begon nog voor de deur gesloten kon worden. Ik had me de binnenkomst anders voorgesteld. Het idee dat de kinderen binnen handbereik zijn, geeft me net dat beetje kracht om naar buiten te strompelen, terwijl de krijger zijn shirt uittrekt.
Ik gooi de deur dicht en teken in het zand voor de deur een tweede rune. Ik sla erop net voor hij naar buiten stormt. Een zucht zand stuift op door de klap, verder gebeurt er niks. Het lukt me niet om op te staan en weg te rennen. Ik heb tijd nodig. Het enige waar dit oude verrimpelde lijf nog toe in staat is, na de klappen die het heeft gehad, is achteruitkrabbelen. Ik probeer me zover mogelijk te verwijderen van de plek waar ik getekend heb. Hij komt op me af met zijn kandelaar in aanslag, door het zand. Als hij met twee voeten op de rune staat, beweegt hij plots niet meer. Zijn voeten zijn van ijs. Het trekt langzaam omhoog totdat zelfs zijn armen vastvriezen. Het ijs bij zijn voeten is extra dik, waardoor hij goed aan de grond hecht.
Ik probeer op te staan. Mijn botten doen zeer. Al lukt het me, de kinderen grijpen en vluchten lukt me niet, voordat hij ontdooit. Ik besluit in plaats van te vluchten voor de sculptuur te gaan staan en haal mijn vinger over het ijs. Herhaaldelijk in hetzelfde patroon, totdat het ijs op de plek begint te ontdooien en het teken van genezend water wordt gevormd. Ik sla erop en laat mijn hand erop liggen. Het ijs smelt en stroomt over mijn lichaam. Een tweede huid van zuiver water. Mijn wonden verdwijnen, het bloeden stopt. Ook de energie komt weer terug, hoewel de rimpels blijven en ik nog steeds aan ouderdom lijd.
Nu moet ik snel zijn. Ik ren naar binnen en grijp het shirt van de vloer. De krijger is weer ontdooit. Hij rent achter me aan. Ik vouw het shirt uit en sla op de rune. Vuur omringt mijn vuist. Het brandt maar doet geen pijn. Hij blijft in de deuropening staan en ziet me de vuurbal zijn kant op smijten. Hij wil hem afweren met de kandelaar, maar de bal is te groot en splijt. Zijn gezicht aan twee kanten verbrand. Hij kermt van de pijn: een hardnekkige man bezwijkt niet zomaar.
Nu is het gevecht van mij. Ik loop rustig op hem af. Hij is op zijn knieën gevallen en heeft de kandelaar losgelaten. Ik teken met mijn nagel op zijn hoofd en sla, waarop ik meteen naar achter spring. De krijger vat van top tot teen vlam. Hij schreeuwt, zwaait en grijpt om zich heen tot er niets rest dan as.

Voor het huis ga ik staan kijken hoe de man het huis in brand heeft gestoken. De houten vloer als eerst, waarna de balken vlamvatten. En als dan ook het rieten dak aan de beurt is, is er geen ontsnappen meer aan. De kinderen schreeuwen om hulp, maar gaan hun vader achterna. Eén kind, meer heb ik hem niet verzocht. Ik sla nog een keer op een tekening, waar nu een wervelwind ontstaat. Hij begint steeds sneller te draaien. Ik stap naar het midden en steek mijn armen wijd uit. De schreeuw van het jongste kind wordt door de wind opgezogen, gevolgd door zijn gegrilde ziel. Als de ziel op volle toeren meedraait in de wervelstorm, zuig ik de wind naar binnen. Ik slik de ziel in, waarop de wind gaat liggen. Ik voel in mijn gezicht: alle rimpels zijn verdwenen. Ik heb weer dertig jaar meer te gaan.

-EINDE-